4 december 2006

IJsgang – Anneke Brassinga

Overtuigende poëzie

Recensie door Kurt Snoekx

Uitgeverij De Bezige Bij bracht vorig jaar de verzamelde gedichten (tot dan toe) van Anneke Brassinga uit onder de titel Wachtwoorden. Nu, een jaar later, verschijnt haar nieuwe bundel, IJsgang. Brassinga schrijft daarin met verve poëzie die overtuigt, die de lezer, zo lijkt het, op geen enkele andere manier had kunnen bereiken dan door middel van poëzie.

In de eerste afdeling van IJsgang, ‘Helleens voor beginners’  een reeks gedichten die Brassinga schreef tijdens haar verblijf in Athene, is het vooral de afstand die een hoofdrol speelt. Zo is er de zoutzuil in het openingsgedicht ‘Steeds’ die zich op een te grote afstand bevindt van de zee, misschien ook ‘liever stilstaat’ of ‘ergens op wacht’, en van de dichter het advies krijgt zich aan ‘de trouwe lucht’ te laven, ‘een schitterend droog water’. Of de ‘Ruïnes’ die in hun verwering, op een eeuwenlange afstand tot hun vroegere grootsheid, een terugkeer naar ‘een onbehouwen staat’ kunnen zien, de weg naar ‘iets ontzaglijkers’. In het gedicht Wedloop komt Brassinga de Griekse denker Zeno van Elea op het spoor. Zijn niet in te halen schildpad door de oneindige deelbaarheid van afstanden, wordt het afleggen van een afstand onmogelijk; een paradox waar ettelijke hun tanden op hebben stukgebeten wordt op een prachtige wijze het gedicht binnengebracht. Niet geforceerd, bijna onopvallend. Even vloeiend als het binnenbrengen van de verwijzing naar Zeno verloopt het gedicht.

Sprinten, als een gek, kan de geest
die zich najaagt, meesleept ?
wat doe ik dan waar ik ben
schuchter paraderend met mijn stoffelijk omwindsel?
Op weg, maar niet heus, om de eindstreep
te ontlopen? Leren arriveren
of ik nergens in het bijzonder zijn wou
om er te brengen luchtigheid,
een stilstand van verstand?
Zoals de koppige schildpad in de Oude Agora;
voelde mijn blik en verstarde, niet willend
dat ik zag hoe hij sneller liep dan ik dacht.
Voor wie zich onder de knie heeft,
wist ik hem niet te zeggen
is het geen punt meer ?
tempo noch bestemming.

De geladenheid en volheid die het vertegenwoordigt, hinderen het lezen niet. Brassinga stouwt haar gedichten niet vol; ze laat ze rijpen. Het resultaat is voldragen, klaar en meer dan de moeite waard om gelezen te worden.

Ook in Een uitstapje weet Brassinga zich onweerstaanbaar uit te drukken. En de vinger leggen op het moment waarop de magie zich voltrekt is onmogelijk. Er heerst een bijna eerbiedig samengaan van betekenis, idee, vorm, beeldspraak, ritme. Dit is zoals het hoort: Om aan de wassende hitte te ontglippen / begon de planeet haar aswenteling te versnellen / zodat de kelner te Athene in gedachten dichter / was bij Spijkenisse, daar woonde zijn vriendin.
Hier heerst de verbeelding, de subjectieve beleving, maar op zo’n manier vormgegeven, dat alle mogelijke weerbaarheid wegvalt. Zoals de afstand die in de verbeelding wordt opgeheven waardoor werelden als lagen over elkaar heen schuiven:
Ik / intussen hem beklantend repeteerde mijn verbeelding / waarin de stroom brullende, zwanig // klaroenende auto’s en vooral motoren dwars / door het stadshart dag en nacht de ringweg / centaurisch overrijdend, horde was geworden // van wolven, tijgers, grof roodwild, mieren, / berinnen en getergde biggen’. Wat dat doet met een mens: ‘allengs ging heel / mijn ideëel bezwaar tegen mensheid en liefde // op in rook.

De reeks KV 533 is de tweede afdeling uit IJsgang. Gelegenheidspoëzie, geschreven voor het project ‘Min of meer Mozart’, die eveneens overeind blijft. Wat moet je met verzen als: Ik ben het met je eens. / Liefde, in deze smerige wereld, / is een smekend fantoom / dat zich niet vangen laat, maar uit jouw zuchten / lieflijk en barbaars ontstaat / als regen, splinters van juwelen in de zon. Of: ‘Stemt het treurig dat het paradijs bestaat en pas / in volle pracht ontbloeit / voor wie er is verjaagd Misschien, // maar net zo zeker / is er geen groter geluk dan te weten: / wij wisten daar niet, wat ons overkwam. Een reactie van een blad stilte. Speechlessness.

IJsgang is niets minder dan verplichte poëzie. De bundel brengt het zingen en het zoeken van de tijd in betekenis. Wat doen we hier wordt er gevraagd in De goede afloop. De toon is ontnuchterend, maar doet nooit fatalistisch aan. Is het mededogen dat voor die waarneming zorgt? Soms lijkt het daar wel op; het bovenstaande citaat uit ‘Regels voor het einde der tijden’ vervolgt: Denk met kracht, en uitsluitend, // aan de liefkozingen, weemoedige, die redding zijn.

Anneke Brassinga schuwt de grote woorden niet. Maar ze slaagt erin zelf niet te verdampen in deze confrontatie. Wel is er de andere uitweg uit die confrontatie, het zichtbaar maken van de vragen. En die worden gesteld:

Stadsgezicht

Is schoonheid de onmenselijke maat die ons menselijk
en lelijk maakt? Is zij rond ieders reddeloze dralen
in een eng bestaan de ruimte van melancholie ?
waar voelbaar aan de kouwelijke huid het buiten
doorelkaarwaait, te groot voor woorden, te vreemd?

Of is zij gewoon ? de grijsroze lichtende winterse
schemer boven zeepgroene rivier in zandgele stad
waar altemet stomtoevallig helendal windstil het wordt?

In IJsgang schetst Anneke Brassinga de zoekende mens als drijfijs dat zich op een oncontroleerbaar, stromende wereld bevindt. Tijd, schoonheid, waarheid, vormen eerder vloeibare concepten die ontglippen, die niet te vangen zijn. Brassinga bezit de taalkracht en het poëtische vernuft om een rijkdom aan denkstof in haar poëzie op te nemen zonder de indruk te wekken dat die betekenisvolle elementen noodzakelijk zijn om haar gedichten het nodige gewicht te verlenen. Het lijkt wel alsof de geschiedenis, de mythologie, de wereld háár dankbaar zijn om in de gedichten te mogen figureren. Wat Brassinga hier presteert, is bijzonder knap. Des te meer omdat elk gedicht het ook afzonderlijk, op zichzelf waarmaakt. Een aspect van Brassinga’s dichterschap is haar taalkundkundigheid. De ene keer overheerst een kalme nadenkendheid de verzen, en is de vorm iets wat zich zacht rond de betekenis vlijt; de andere keer gaan alle remmen los en is er van taal zoals ‘men’ die kent geen sprake meer. Is het Nederlands plots de rijkste taal ter wereld (iets wat tegen alle lemmata in mag worden benadrukt). In IJsgang zingt Anneke Brassinga, experimenteert ze, maakt ze de taal los. En de lezer absorbeert met graagte, zoals het aangeschoten wild / de kogel aan zag komen, dacht: / we nemen er nog een’ (Wie pijn wil lijden moet mooi zijn).

IJsgang

Anneke Brassinga
De Bezige Bij, 2006.

 

IJsgang
Anneke Brassinga
ISBN: 9789023422341

Meer van :

17 augustus 2017

Gedichten die op afstand blijven maar ook weten te ontroeren

Over 'De wereld onleesbaar' van Jeroen van Kan
11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Over 'Herinneringen in aluminiumfolie' van Jamal Ouariachi
9 augustus 2017

Wachten op Godot aan de Moldau

Over 'Een afgedane zaak' van Patrik Ouredník

Recent

7 augustus 2017

Een kanjer

Over 'De tandeloze tijd 6 : Kwaadschiks' van A.F.Th. van der Heijden
4 augustus 2017

Wondranden

Over 'Een tuin in de winter' van Anna Enquist
2 augustus 2017

Jannie Regnerus gebruikt geen woord te veel

Over 'Nachtschrijver' van Jannie Regnerus
31 juli 2017

Het gitzwarte leven

Over 'Noordwaarts' van Naomi Rebekka Boekwijt
28 juli 2017

Het lot van een niet-joodse jood

Over 'Buster Kafka' van Martin Schouten

Verwant