20 februari 2006

Verzameld werk,C.O. Jellema

Een verzameld werk als twee boeken om naast elkaar te lezen

Er zijn schrijvers die beweren dat ze wel tegelijkertijd aan poëzie en aan essays kunnen werk en, maar niet gelijktijdig een gedicht en een roman onder handen kunnen hebben. Proza zou een ander tempo vergen, en meer een schrijfhouding die uitbreidend is, ruimte gevend. Poëzie en essay vragen om een zekere verdichting, het is schrijvend denken, meer dan vertellen, het juiste woord doet er meer toe en er schuilt ergens een kern die blootgelegd moet worden.
Het Verzameld Werk van C.O. Jellema, bezorgd door Gerben Wynia, is in twee delen verschenen, een wat dikker deel voor zijn poëzie, en een dunner, met de essays. De cassette is naar mijn smaak prachtig vormgegeven, maar vreemd genoeg verschillen de meningen daarover. Iemand moest sterk denken aan gereformeerde kinderbijbels.
Voor mij is de verzameling mooi genoeg om er uren doorheen te bladeren. Niet alleen omdat het bindwerk goed is. Een bundel gedichten en een bundel essays van dezelfde hand vragen er om met elkaar in conclaaf te gaan. Ik vraag me bijvoorbeeld af, wanneer Jellema een motto van Thomas Mann gebruikt, of hij een essay over Mann kan hebben geschreven, of dat Mann voorkomt in een van de essays. Het is daarom jammer dat de essaybundel geen fatsoenlijk register bezit, of zelfs maar een enigszins beschrijvende inhoudtabel. Dan moeten we het met titels doen.
Bosvijver de laatste bundel van Jellema uit 2004 bestaat uit 12 gedichten, waarvan een dezelfde titel draagt als de bundel. In de essaybundel las ik dan maar het essay ‘De bron in het bos’ in de hoop op enige aansluiting, op voorhand. Een onnozele onderneming natuurlijk, dat mag gezegd. Hoewel zowel het essay als de bundel een motto van Hölderlin dragen.

Bosvijver

Een zwartgrondige vijver is het geheugen
Die zich met verkleuring van
gebeurtenissen vult, hun willekeur doorrimpelt

– zoals, nog wat verwonderd van hun val, net onder
het oppervlak herfstblaren drijvend, straks
hun klontering tot blubber op de bodem –

Zelf sta je aan de rand, je zou willen weg
zeggen het mij, verder willen, het bos in
(jezelf het bos in sturen), paden

onbetreden, en die ene
die enige, even alleene
wandelaar ontmoeten, die

zich na een ogenblik van sprakeloosheid
omkeert, en geen voetspoor naast het zijne
achterlatend in het zand.

De onbezonnen vergelijking op basis van de titel levert wel een semantische mogelijkheid op. Het essay met de titel ‘ De bron in het bos’ handelt over de romans van Wilhelm Raabe, waarvan je na lezing van het essay inderdaad wel hoopt dat die laatste, die beste, die ‘Unvollendete’ namelijk Altershausen, nog eens in vertaling verschijnt. Een centraal thema bij Raabe, is de terugkeer, naar iets wat je ooit bezat of was. ‘ Een zwartgrondige vijver is het geheugen / die zich geduldig met met verkleuring van gebeurtenissen vult’ . De vijver in het bos moet voor Jellema de betekenis hebben gehad van een terugkeer naar de oorsprong. Bij een bron in het bos vindt een van de figuren in Raabes roman een belangrijke persoon uit zijn verleden terug.
Het essay over Raabe blijkt -getuige de verantwoording- het enige te zijn dat niet naar opdracht is geschreven. Anderzijds moet het Jellema wel dierbaar zijn, want in het voorwoord, dat opgenomen is in de verantwoording schrijft Jellema weer iets meer dan de helft van de pagina die het beslaat over Raabe: ‘Goede wil of kwade zin, onveranderlijk verzinken alle rimpelingen in ons kleine leven, evenals de golfslag van de grote geschiedenis, in de eindeloos onverschillige deining van de vergetelheid. Dat is van Raabes laat-romantische , quasi-naïeve vertelkunst honderd jaar na dato de onontkoombare boodschap. Aanvaarding van die loop der dingen, ook dat is een oefening bij een beek. (Oefeningen bij een beek is de titel van een eerdere bundeling essays. (mh))

Misschien bewandelt Jellema in het gedicht de weg van Raabes hoofdfiguur, heeft de roman zo’n diepe indruk gemaakt dat het beeld goed genoeg leek voor een plaats zijn bundel, voor de titel zelfs. Het essay – alhoewel op zich zelf niet een van de sterkste in de bundel – heeft wel meer licht op het gedicht geworpen.

Ik moet mij met kracht afhouden van de meest voor de hand liggende interpretatie van de laatste twee verzen van dit gedicht. De evangelische topos (zie ook hier van de Heer die je droeg op momenten dat het moeilijk was, en dat je daarom terugkijkend op de weg die je ging in benarde tijden slechts één paar voetafdrukken ziet) lijkt te platgetreden. Toch laat lezing van de essaybundel wel de gedachte toe dat Jellema zich hier door Zijn Heer ziet weggedragen. Een beetje verbazingwekkend is het clichématige van dat beeld in mijn ogen – voor Jellema – wel.

Het essay als de volmaakte context voor een gedicht

Voortbladerend in de poging de essays iets te doen mededelen over de poëzie geraak ik tot het meesterlijke essay ‘Een wet tegen afbakening’ over Eckhart en het dichterlijk denken. In het essay neemt Jellema op zeker moment zijn gedicht 'Zeegezicht' ter hand om te illustreren waar het hem om gaat:

Zeegezicht

Op de palm van jouw hand, in dat landschap
van gevormde levenslijnen, niet groter
dan een flinke waterdruppel

-terwijl zonsondergang de hele
hemel boven de eindstreep van het eiland
ginds in Turner-kleuren zet –

die babykrab, voorzichtig
van tussende basaltblokken geraapt,
zijn onderkomen waar hij wachtte op de vloed.

Nog kleiner dan de nagel van jouw pink,
zijn grijsblauw pantsertje nog niet verkalkt,
krabbelt hij zijwaarts over plooi en heuvel,
een onbekende wereld, verontrust
dat bodem warmte geeft.

Dan, op de rand van het heelal, laat hij
zich zonder aarzeling terugvallen in
de veiligheid van spleten, zeezand, steen,
met achterlating van een beeld, van
haast een naam.

Nu is het of wij, samen onder aan de dijk,
worden gezien, terwijl het water stijgt
en in doorschijning spiegelt hoe de hemel kleurt.

Heeft iemand iets gezegd? Nee, niemand sprak.

Nu komt het niet vaak voor dat je bij de lezing van een gedicht beschikt over de volmaakte context Het essay ‘Een wet tegen afbakeningen’ vormt de best denkbare achtergrond van dit gedicht, en naast een begerenswaardige con-text is het een erg goed essay. Over poëzie in het algemeen, en zeer bruikbaar voor de poëzie van Jellema.
Het liefst zou ik het nu dus in zijn geheel citeren omdat elk samenvatten onrecht doet aan deze tekst. Het essay onthult fascinerende inzichten over poëzielezen. Ondermeer naar aanleiding van een preek van de mysticus Meister Eckhart en de Japanse filosoof Keiji Nishitani alsook gnostische geschriften die bij Nag Hammadi in Egypte zijn gevonden. En dan zijn we nog geen twee pagina’s opweg.
En heel anders dan dit nu kan lijken is het geen vruchteloos namedroppen wat Jellema doet. Van hoe dichtbij hij bij het ‘ gewone’ poëzielezen wil blijven, getuigt wel het feit dat hij twee bladzijden later zijn eigen gedicht volledig afdrukt. ‘Probeer het hier eens mee’ betekent dat bijna. Over een formulering van Eckhart zegt Jellema: ‘Formuleringen die zo langs de buitengrens van het zegbare scheren, hebben een poëtische impact. Poëtisch omdat ze bij de lezer of toehoorder een beroep doen op een voorstellingsvermogen dat zich niet meer kan oriënteren aan realiteit, noch het verwoorde daaraan kan toetsen, zodat hij op die manier gedw
ongen wordt, of liever ertoe verleid, de ‘real reality’ van het in die formuleringen uitgesprokene om zo te zeggen blindelings te vertrouwen.’
Er is een aantal voorbeelden van dichters die zich in de keuken laten kijken, Koplands mooie essay over het schrijven en schrappen in een gedicht, Nijhoffs wonderlijke maar veelzeggende ‘De pen op papier’. Ook ‘Een wet tegen afbakeningen’ toont de keuken van een dichter en is daarmee een formidabel voorgerecht om dit mooie verzameld werk mee te beginnen.

Menno Hartman

Verzameld werk C.O. Jellema Em. Querido’s Uitgeverij, 2005

Recent

16 augustus 2017

Ideale bestaansvorm

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer