23 januari 2006

fijne motoriek,Koen Peeters

 
 

Sinds 1988 werkt Koen Peeters gestaag aan een indrukwekkend en eigenzinnig oeuvre: Conversaties met K. (1988), Bezoek onze kelders (1991), De postbode (1993), Het is niet ernstig, mon amour (1996), Acacialaan (2001) en Mijnheer Sjamaan (2004). Onlangs verscheen fijne motoriek, zijn poëziedebuut. Al doet de bundel uitschijnen dat hij nooit een ander genre heeft beoefend: fijne motoriek is stemvast, eigenzinnig, en even indrukwekkend.

Het universum in fijne motoriek lijkt zich spontaan aan te dienen. De dichter houdt oren en ogen wijdopen en observeert, interpreteert. Hij stelt zichzelf luidop vragen, tracht passende antwoorden te vinden of tenminste een nieuwe vraag die de voorgaande overstemt en een antwoord naderbij brengt.

    Hij luistert maar kijkt vooral, heel dicht om
    ach een druppel inkt te leggen in
    een putje verschijnend in een wang
                    is hij dan dichter?
 

 De twijfel, (aan) het dichterschap, vloeit voort uit wat zich aandient, rond en in de dichter zelf. Terwijl ‘de stad zich uitdost optut met musical / en operette en vrouwelijke in- en uitsnijding’, is er ‘de noodzaak het grijze te schrijven’. Is daarom of ‘vandaar’ het woord dat de verbinding tussen beide delen blootlegt? Of heerst er een andere verhouding? ‘[S]terft het gedicht / of wordt het juist geboren uit het / glurend stadslicht dat alles toont en hoort / onverdoofd, onverbloemd’. Want naast de stad is er de herkomst, naast het onderweg zijn is er de oorsprong. Naast het ‘altijd altijd vrolijk vrolijk / bezig bezig’ zijn, is er ‘het contempleren van de middenberm’: ‘niets verdwijnt: panta rhei’, niets gaat weg en alles verandert. En de dichter (en de mens) rakelt op, herinnert zich, ziet dat alles verandert en zoekt een houvast in het verleden, of beter in de levende herinnering aan het voorbije verleden. Dat dus niet verdwenen is, maar in sporen, overblijfselen gedeeltelijk en vervormd toch aanwezig is.

Die restanten liggen niet voor het rapen maar worden opgespoord en dragen woorden aan, gedichten. In fijne motoriek lopen verscheidene lijnen uit een verleden naar het heden van de dichter. Een zachte, wondermooie melancholie maakt de herinnering los uit een eenvoudig beschrijven. De overleden moeder, het dorp dat naar snoepgoed geurt, het leven van de jongen die de dichter was… komen adembenemend uit de gedichten tevoorschijn. Koen Peeters schrijft met veel gevoel, met een eigenheid die – misschien paradoxaal – voor de lezer net zo herkenbaar is. Het persoonlijke dat zich vertaalt naar het algemene, menselijke. Dat ‘effect’ wordt niet in het minst bewerkstelligd door de openheid in de gedichten, de veelvuldige plaatsen waar de lezer wordt geconfronteerd met weerhaken, met gevoelens en gedachten die voor de dichter misschien evenzeer vervreemdend zijn.

    Te weten was vooraf dat dit de opdracht was:
    het schrijven van korte en lange zinnen, doorgaans titelloos,
    verstaanbaar en wat ouderwets, die over minstens twee dingen
    gaan en een air vertonen van onaf, nooit bang voor slordig
    binnenrijm en dubbelpunten en herhaling, grote gebaren
    en emotie (is poëzie dan ernst, pathos en moraal die zich
    onderuit laat halen met taal?) […]
 
Over de ‘air van onaf’ schreef Huub Beurskens al in De Standaard (30-12-2005) uit vormelijk perspectief: ‘Want op menig moment besef je pas bij tweede of derde lezing hoe het gedicht haast vanzelfsprekend “technisch” in elkaar zit.’ Het schijnbaar ‘onaffe’ karakter lijkt ook op inhoudelijk vlak net datgene te zijn wat de lezer aanspreekt (in beide betekenissen). Het universele dat inhoudelijk voelbaar is: panta rhei, alles is voortdurend aan verandering onderhevig (en is in die zin zowel ‘af’ als ‘onaf’). Heden (weer) onvoltooid in sporen.

De dichter beleeft en herbeleeft, treft overal taal aan, in velerlei vormen: letters die door het autoraampje binnenwaaien, ‘taal kort van stof en stoffig’, ‘vadsige woorden’, ‘drie of vier woorden die opspringen in morse’, een ‘theatrale zin’, ‘brute vingerletters’… en heeft net zoveel redenen om te schrijven. In ‘Ongeveer vijftig’ somt Koen Peeters op wat voor gronden er achter zijn poëzie schuilgaan. Net als de thema’s en personages in de gedichten blijken die redenen eens nobel en bescheiden te zijn, en dan weer ijdel en zelfverzekerd.

Zowel de stad en ‘de forenzende mens’, de Kempen en lintbebouwing als Zorro, Elsschot, Van Ostaijen en M-kids treden aan in fijne motoriek. Uiteenlopende onderwerpen die steeds worden bedacht met verzen die ademen, subtiele schakeringen afwisselen met vervreemdende verbanden. Gedichten die tegelijk vuil en schoon zijn, open en af, vreemd en eigen. En die steeds getuigen van een verbluffende taalbeheersing, en van het feit dat ‘men altijd al wilde schilderen’. En dat ‘men’ daarin is geslaagd!

    Geen pamflet, geen legendes. Nooit te kort. Noodzakelijk.
 
Koen Peeters, Fijne motoriek. Meulenhoff | Manteau, Antwerpen / Amsterdam, 2005. ISBN 90 8542 039 3.

Over Koen Peeters schreef Patrick Bassant al: http://www.literairnederland.nl/web/author/viewAuthor2.aspx?id=222.

Recent

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

7 augustus 2017

Een kanjer

4 augustus 2017

Wondranden

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer