2 januari 2006

Met uitgeholde stem,Iris Van de Casteele

Iris Van de Casteele werd geboren in Adegem, België. Na haar talenstudie in Brussel ontpopte zij zich als een talige duizendpoot. Ze vertaalde uit het Frans, Spaans, Russisch en Duits en trouwde met de Uruguayaanse musicus Cacho Aguirre. Sinds 1989 schrijft ze haar rubriek ‘Poëzie’tuin’ voor Vrij Maldegem.  Haar vriendschap met de dichter Paul Snoek was een blijvende inspiratiebron en zijn vroege, tragische dood betekende was voor haar een grote klap die zijn sporen zou blijven dragen. Zij publiceerde tot op heden 22 bundels poëzie en wij mogen ons verheugen in deze nieuwe, fraai vormgegeven boreling.
De tekst van Michel Camus (1929-2003) op de achterkant van Met uitgeholde stem maakt ons direct duidelijk dat we met gedichten te maken hebben waarin de grote thema’s niet geschuwd worden, oftewel: ‘poëzie die zoekt naar de oorsprong van de poëzie zelf.’ Iris Van de Casteele gaat met open vizier aan het werk om ons op de hoogte te brengen van het falen en slagen van deze beproeving. Wie de indruk zou krijgen dat we hier met een soort verheven new-age geconfronteerd worden, komt – gelukkig – bedrogen uit. De thematiek is ingewikkeld en gelaagd maar de woorden die Van de Casteele inzet zijn van een verbluffende eenvoud en vooral van een aanstekelijke zeggingskracht. Zoals in het vers ‘Het papieren bootje’:

Het papieren bootje

Wat Guido Gezelle zou denken van
datgene wat op papier wordt gezet
terwijl het tonnen water regent
druppels wegglijden langs de ruit
geen mens die het weet

dat het herfst is geworden
vertelt de regen niet
hij is er ook ’s zomers
hij is er immers altijd
hij zegt
ik regen
ik ben vruchtbaarheid

de rest heet zwijgen binnenskamers
of misschien binnensmonds 
denken dat er altijd een bladtjen
drijft op het water dat langzaam went
aan zijn eigenheid

wat Guido Gezelle zou zeggen van
een reepje papier dat drijft als
een bootje op het Minnewater van
brug tot brug langs de blikken
van de geliefden

een reepje beschreven papier
dat volgestouwd werd met poëzie
wat hij daarvan zou zeggen
geen mens die het weet

Het is duidelijk, de woorden die geschreven worden op papier –  in dit geval de woorden van geliefden – zijn van alle tijden. Guido Gezelle (1830-1899) was bij uitstek de dichter van de tedere gevoelens. Het woord ‘Minnewater’ in de voorlaatste strofe verwijst naar Gezelle. Maar wat hij gezegd zou hebben over een reepje papier met een liefdesgedichtje, dat weten we niet… Of weten we het eigenlijk wel? De lezer denkt dat Guido Gezelle het prachtig gevonden zou hebben! Juist hij. Dat is de subtiele dubbele bodem in dit gedicht. Maar er is meer. Dat het herfst is geworden in de tweede strofe, onthult de regen ons niet, nee hij is er altijd en kan altijd zorgen voor plantengroei en vruchtbaarheid. Hij hoeft niet te wennen aan zijn eigenheid. Zoals wij dat, als mens, wel moeten en zoals het bladtjen (mooi Vlaams) papier dat zou moeten. En dat Guido Gezelle bij uitstek de dichter was van de verliefde poëzie staat als een paal boven water. Subtiel hoe Van de Casteele deze elementen zonder veel opsmuk samenvoegt.
In haar titelgedicht ‘Met uitgeholde stem’ heeft Van de Casteele het over:

Als er iets overblijft
zal het datgene zijn
wat poëzie doet glanzen(..)

En dat Iris Van de Casteele de poëzie kan laten glanzen bewijst ze in het adembenemende ‘Liefdesgedicht’, waarin zichtbaar wordt mijn bestaan/ dat zich in jou aan het herhalen is(..) of in het vers ‘De meeuw’:

Hoe dichters proberen te verklaren
wat niet te verklaren is (..)  

Het meest virtuoos is deze dichteres op de vierkante millimeter van de verbazing. Die beschrijft ze in gedichten als ‘Er was iets’, waarin een vrouw wordt gevolgd, die de lakens opschudt, maar uiteindelijk wordt gadegeslagen terwijl ze in stilte zit te eten tegenover een man, die op een zwerver lijkt, de stilte tussen hen  wordt niet doorbroken. Wat ‘er is’ onthult Van de Casteele niet, dat mag de lezer zelf verzinnen. Ditzelfde procédé van ‘weglating’ wordt nogmaals gehanteerd in het vers ‘De boottocht’ waarin twee mensen een boottocht maken en elkaar veel zeggen, bijna zonder woorden.
Of Iris Van de Casteele het nu over dieren heeft, over planten, zoals de klaproos of de distel of over de mythische gestalte van een Keltische sirene, zij werpt een licht op al deze zaken, dat haast betoverend aandoet. Ze laat de objecten van haar poëzie met veel gevoel voor respect, maar ook in zijn volle glorie, aan ons zien. En zij heeft een verbluffend rijk palet aan taalvaardigheden tot haar beschikking. Haast zonder interpunctie, zonder veel bijvoeglijke naamwoorden, leidt ze ons rond en we komen tollend tot stilstand op de laatste bladzijde van de bundel. Want:

(..) Ik ben de steen die cirkels 
beschrijft in het water 

die het onvatbare verklaart
in raadselachtig geschrift

In haar begingedicht ‘Het sacrale’ eindigt de dichteres met het leven, het ontstaan, samen te vatten en ze slaagt er ook nog in:

(..)mijn ontstaan
zit gekluisterd
tussen leven en dood
wie het ontraadselt

ben ik openbaring 
wie het ontlaadt
ben ik vuur

En daarmee heeft Iris Van de Casteele alles gezegd wat zij wilde zeggen. En dat is veel. Misschien zullen cynici opmerken dat ze geen ‘moderne poëzie’ schrijft – wat dat dan ook mag zijn – voor mij is het een verademing om mij aan de rijkdom van haar woorden te kunnen laven. Het is verwonderlijk dat een dichteres met zo’n heldere stem, niet vaker bewierookt en gelauwerd is, maar dat zal wel aan de tijdsgeest liggen. Niet aan Iris Van de Casteele in ieder geval. Lezen deze prachtbundel!
Met uitgeholde stem, Iris Van de Casteele  De Distel, 40 p., iris.aguirre@tigo.com.py)

Karel Wasch

Recent

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

7 augustus 2017

Een kanjer

4 augustus 2017

Wondranden

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer