26 september 2005

Geschiedenis: de amateurfilm

De lange blik waarin we leefden

Uit het weggehakte marmer zou je in theorie de gestalte van het beeld moeten kunnen herleiden. De Engelse dichter Craig Raine werkte tien jaar aan zijn grote roman-in-verzen Geschiedenis: de amateurfilm in die tijd schreef hij als ‘bijvangst’ Clay. Whereabouts unknown. Uit die bundel verscheen in Nederlandse vertaling van J. Eijkelboom in 1998 een cyclus van 7 gedichten, zeer mooi uitgegeven door Wagner & Van Santen, Het profetische boek.
Deze week ligt het andere werk, de vuistdikke vierkante Geschiedenis de amateurfilm bij De Slegte in de ramsj. Het boek werd in 1999 ook heel mooi door De Arbeiderspers uitgegeven. Waarom ligt dat boek daar? Het werd waarschijnlijk niet verkocht. Dat boek schreeuwt er om -voor die euro 9,99- uit die helverlichte omgeving verlost te worden.

Geschiedenis: de amateurfilm is een in terzinen gesteld relaas dat globaal de 20ste eeuw beslaat, van 1905 tot 1984. De geschiedenis van die eeuw wordt verteld naar aanleiding van de de verstrengeling van de families Raine en Pasternak, (van Boris inderdaad) Craig Raine is met een Pasternak getrouwd, met Lydia.
Gedurende het werken aan deze bundel kreeg het echtpaar twee zonen, aan een van deze zonen draagt Raine de cyclus op die in Nederland uitgegeven werd als Het profetische boek.

Er zijn lullige boeken geschreven door kersverse vaders, maar dit is er niet een van.

Ik zal je kennis geven van de wereld
die voor kennisgeving wordt aangenomen:
de tulband in het mandarijntje,
een snookertafel, zeg maar,
met zes suspensoirs,
de citroenpers in het
mannen-urinaal.

Je zult moeten weten
de namen van steen:
Taynton, Clipsham, Anstrude, Besace,
Headington, Wheatley, Perou,
en dan Savonnières Courteraie
dat gedolven wordt in de Meuse.
Aangename tinten van gemzenleer.

De hartstochtelijke kus
van sellotape, een sofa
met zijn vier cedilles,
de rimpeling van een atletiekbaan,
speldenkussen-havens, zeesterren
sterker als een tong
zullen je behagen.

Het is een lang gedicht dat eerste, van een nog wel te verwachten inhoud, een poging de veelheid en de rijkdom van dat wat komen gaat duidelijk te maken, met goede, rake beelden. Originele beeldspraak waar het modder en de sterren beiden goed in naar voren komen.
Het is het tweede deel dat Raine meteen als dichter in een bepaald perspectief plaatst, het gedicht heet 'Sheol', we zijn in Polen, het perspectief is bij een vrouw die een kind baart, in de tweede korte strofe reeds verschijnt Mengele die haar borsten afbindt om te zien hoe lang een pasgeborene blijft leven. Raine heeft haast de realiteit het gedicht in te krijgen, hij heeft haast in zijn profetisch boek de Nabokoviaanse kleurenpracht een veeg van de Poolse modder mee te geven. Het is een harde landing voor de lezer, maar zo lang is de bundel ook niet, je moet niet te lang hoop koesteren, hoop is een prachtig ontbijt maar een beroerd diner, heeft Byron gemeld.

In het derde gedicht: de menselijke maat. Ook geen onbekende in de literatuur van jonge vaders/moeders: de (groot)vader.

Jij leerde me dit.
In bed als een baviaan
met je zuurstofmasker,

de smaak van je long proevend,
bang voor de plof van gas,
een kist verkoold tot astrakan,

en in plaats daarvan het graf kiezend,
dit graf dat je kleinzoon koel
bekijkt als een schaakprobleem,

het levendige losse dekkleed,
stof onder het karpet geveegd,
de schop die eruit steekt.

In het vierde deel, ‘ Sjamaan’ getiteld krijgt de persoonlijke mythologie van Raine vorm, beelden uit jeugd en verleden, vanuit verschillende perspectieven. Raine wandelt door de geschiedenis heen en springt als een vlo over van schouder naar schouder. Dat maakt deze poëzie flexibel. Daarbij trekt hij steeds net op tijd bewust plattitudes of nauwgezet onpoëtische beelden de bladzij in. Het doet soms denken aan K. Michel. Poëzie die op je afkomt als een boer. Wie zei dat, of wie zei zoiets? Louis Paul Boon? Raine zegt zelf verderop:

Uit de vergetelheid, boeken,
en Bellows fabelachtige vrije stijl,
het vloeiend gebruik van hij en ik,
voor uiterlijk handelen en innerlijk leven,
afgekeken van Joyce (een knikje
uit naam van Mozes Herzog)
maar zich eigen gemaakt door herinneringen.

In het vijfde gedicht, ‘Een Ladenkast’ trekt de dichter laden open in de wat drammerige cadans van een herhaald ‘uit de vergetelheid…’. Het is een verslavende toon die door deze bundel heen klinkt. Dit lijkt een samenvatting, het hoofdwerk in een notendop, de trailer bij Geschiedenis de amateurfilm. Het is misschien vooral die gulle Britse hand in deze poëzie die niet kijkt op een onverwacht beeld, de heerlijke lichtheid van schaamteloos grote woorden.

En dit is de laatste strofe van het vijfde deel:

Uit de vergetelheid, dood,
en het staren van een moedermond
die ons voorbij kijkt voor altijd.
Uit de vergetelheid, adem
en de afwezigheid van adem,
de lange blik waarin we leefden
gevestigd tenslotte op een ladenkast.

Er gebeuren twee dingen in deze strofe: waar in het gedicht de indruk werd gewekt dat een moeder van een vriend aan het sterven is, parkeert de dichter de lezer nu in het hoofd van de stervende. Een filmische perspectieftruc. Opeens blijk jij het te zijn die sterft, de vlo is voor het laatst overgesprongen. Je blik gevestigd tenslotte op een ladenkast. Het andere is de gedachte zelf, dat er een laatste beeld is, en dat dat waarschijnlijk een meubel is. Of dat er tenminste een goede kans is dat je film eindigt met een shot op een kastje.
Raine toverde uit deze kast een mooie soepele bundel tevoorschijn, die me zeer inneemt voor deze Engelse dichter. Als dit het gruis is dat overbleef, dan ben ik nu klaar voor het beeld.
Menno Hartman

Craig Raine Het profetische boek. gedichten Vertaald door J. Eijkelboom. Wagner & Van Santen, 1998

Craig Raine Geschiedenis: de amateurfilm. Vertaald door J. Eijkelboom. De Arbeiderspers, 1999

Recent

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

14 september 2017

Daar waar granaten fluiten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer