5 september 2005

Zen uit eigen werk

In 1998 debuteerde Koenraad Goudeseune (1965) als dichter met Dat zij mij leest. Zen uit eigen werk, zijn tweede bundel, verschijnt zeven jaar later. In 2004 werden daaruit al enkele gedichten in De Brakke Hond geplaatst.

Zen uit eigen werk is niet meteen een bundel van formaat. Koenraad Goudeseune doorspekt zijn achtendertig korte gedichten met tal van spitsvondigheden, grapjes en dichterlijke observaties, maar mist meer. Zijn poëzie steunt op snelle beeldrijke taal en ideetjes van hetzelfde soort, die onmiddellijk moeten aanslaan, maar al even snel vergeten zijn. Er heerst niets onoverkomelijks, niets frappants over zijn gedichten. Goudeseune lijkt gewoon ‘een’ dichter die ‘een’ gedicht schrijft zonder veel meer. En zoals er zoveel zijn, dichters en gedichten.

Zo is er ‘Gezocht’:

Meisje met wie ik nooit
naar een begrafenis
zou gaan.

Of ‘Seizoenen’:

Wat doet die boom nou?
‘Raap dat meteen op!’
zou een moeder zeggen.
Maar de herfst heeft geen moeder.

Toegegeven ? moeder beuk verwijt zoontje dat-ie zijn bladeren laat vallen, het slordige ventje! ? het brengt wel enige hilariteit binnen. Maar echt veelzeggend is het allemaal niet. Misschien heeft Goudeseune die pretentie ook niet, en is zijn poëzie werkelijk bedoeld ‘als een schop tegen het zere been van al te intellectualistische en zogenaamd verheven poëzie’, zoals Yvonne Broekmans zegt op Meander. Maar waarom deze poëzie daar dan zo geschikt voor zou zijn? Gaat het relativeren niet al te zeer in de richting van de onwerkelijke wens niet ambitieus te zijn, niet te veel te willen zeggen? Naar uitspraken als ‘lekker licht’, ‘leesbaar’ en ‘eigenlijk onbelangrijk’? Doet Zen uit eigen werk ertoe?

Koenraad Goudeseune verklaart in ‘Luister niet naar mij’:

En public ben ik in een sentimentele bui, privé ben ik gewoon.

Maar misschien is dat sentimentele ook wel de te normale publieke dichtvorm. Het komt allemaal zó anekdotisch en catchy over dat er voor de lezer eigenlijk niets anders op zit dan er kennis van te nemen, misschien te laten vallen dat hij/zij het eigenlijk nooit zo had bekeken, en na de verrassing te blijven zitten met een onvoldaan ‘En dan?

Ik vind dat poëzie een vorm van entertainment is. (uit ‘Hemel’)

Goed, Goudeseune vindt dat poëzie een vorm van entertainment is. En wellicht ook dat poëzie niet moet pretenderen dat het iets betekent. En dat is de vaakst gehanteerde formule om het eigen slappe dichten te stutten met welgemeende fundamenten ? ‘maar dat bedoel ik nu net!’. Moet dat entertainment dan alleen maar bestaan uit het naar effectjes vissen, moet het om een soort Post-it-poëzie gaan, die op tal van koelkasten onderhevig is aan een wekelijkse vervangbeurt. Beide uitersten zijn te karikaturaal, te licht of te zwaar, te snel vergeten of te lastig om te onthouden. Zen uit eigen werk wil er jammer genoeg niet toe doen.

Van Koenraad Goudeseune verschenen:

Zen uit eigen werk (Atlas, 2005)
Onuitsprekelijk is wat wij over de liefde zeggen (Atlas, 1999)
Dat zij mij leest (Atlas, 1998)
Vuile was (Atlas, 1993)

Recensie van Zen uit eigen werk door Yvonne Broekmans: http://meander.italics.net/recensies/recensie_a.php?id=399

Recent

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

14 september 2017

Daar waar granaten fluiten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer