15 augustus 2005

Valtijd

‘Een armpje zo dun als taal legt een hand voor ogen.’

Door: Wouter de Vries

Toen ik enkele jaren geleden eens vluchtig de bundel Van het woord Ah doorbladerde, viel vrijwel direct de opeenstapeling van halfafgemaakte zinnen op. Nu heb ik haar meest recente, inmiddels zesde bundel Valtijd gelezen en er is niets veranderd. Dit is de poëzie van Margreet Schouwenaar, dichteres uit Heiloo.

Bij nader inzien wordt haar gehele oeuvre gekenmerkt door de halfafgemaakte zinnen; er zijn maar weinig zinnen die netjes aan het einde van de regel eindigen, ze lopen telkens door op de volgende regel door springen zorgeloos over naar de volgende strofe.

Het tweede dat opvalt, is het originele taalgebruik. Schouwenaar geeft een breed vocabulaire te kennen, alhoewel in haar vorige bundels veel onbekende woorden worden gebruikt en in deze bundel meer ongebruikelijke woorden, zoals daar plotseling pindakaas opduikt en ze spreekt over kwinkelerende kribbebijters.

Ze werd eerder eens beschuldigd van sterke overeenkomsten in woordgebruik met het werk van Piet Gerbrandy, waar Gerbrandy zelf haar in een nare recensie boos op wees. De discussie is langzaam weggeëbd, nadat de poëet en recensent Remco Ekkers hier nog een briefwisseling met Gerbrandy over had. Uiteindelijk wilde Gerbrandy Schouwenaar niet van plagiaat beschuldigen maar boos was hij nog wel. Ondanks het woordgebruik, vertoont het werk van Schouwenaar voor de rest weinig inhoudelijke overkomsten met dat van Gerbrandy, maar des te meer met dat van Gerrit Kouwenaar. Men leze de volgende gedichten, respectievelijk van Kouwenaar en Schouwenaar:

Men moet*

Men moet zijn zomers nog tellen, zijn vonnis
nog vellen, men moet zijn winter nog sneeuwen

men moet nog boodschappen doen voor het donker
de weg vraagt, zwarte kaarsen voor in de kelder

men moet de zonen nog moed inspreken, de dochters
een harnas aanmeten, ijswater koken leren

men moet de fotograaf nog de bloedplas wijzen
zijn huis ontwennen, zijn inktlint vernieuwen

men moet nog een kuil graven voor een vlinder
het ogenblik ruilen voor zijn vaders horloge ?

Men legt geen weg af

Dit blijft het beeld. Het kind
voorgoed het kind op drift gezet.
De hand voorgoed de hand in lucht
gestrekt. Dit blijft het beeld. De trein

is nooit gestopt. En iedereen is
elders. Zo denkt men. En men wiegt
zijn goede daden, weidt zijn blinde
ogen, stijft zijn ongeloven zo

lijfelijk als witgoed. Van de dood
heeft men gehoord. Doden kent men
niet. Men droomt zicht broden, alles
in grootte. Men droomt zich licht

en levend. Het is de tijd. Men schrijft
wetten, wapens, en een goede neus
voor zaken voor. Men zoekt naar iets als
ruimte terwijl een oorlog plaatsvindt.

Luister. Hier ritselt de ruimte
in het kistje in de kast. Hier tussen
de gesteven lakens. Ruimte. Hier.
Hier! Nooit was een spoor zo kort. Luister

hoe de overvloed aan woorden gaandeweg
verstilt. Hoe ze in een kind verstommen,
in een hand ontbinden. Het geluid is nu
te horen. Het razen, het zieden. Het tierend

rammelen. De trein is nooit gestopt.

Het bovenstaande gedicht is de inleiding op de bundel en geeft een goed beeld van de poëzie van Schouwenaar. De taal is het voermiddel, en ze gebruikt het spel van de taal om beelden op te voeren. Een goed voorbeeld daarvan vind je in het gedicht ‘Fragment’: ‘Een moeder deint in de zee. […] Zedig zonder meer als staat zij / in een werkplek te midden van / de stilte.’ Wat overigens bij nader lezen steeds irritanter wordt, is het gebruik van een ‘men’ als handelend persoon. Hierdoor krijgt iets meer dan een derde van de gedichten een belerend toontje, alsof Schouwenaar steeds haar vingertje omhoog heft. Of dit voortkomt uit haar verleden als schooljuffrouw of als cursusleidster is niet te zeggen, desalniettemin schrikt het telkens af en het maakt de poëzie veel minder interessant. Opvallend is echter dat de overige gedichten, die in een ander perspectief geschreven zijn, mooier, interessanter en zelfs leesbaarder zijn. Een voortreffelijk gedicht is bijvoorbeeld ‘Over de komma’s’ over de fragiliteit van de taal: ‘Een armpje zo dun als taal legt een hand voor ogen.’ En nog één regel die het citeren waard is: ‘Was het toen dat men / toe moest geven, in het licht van / bietenpulp en fil d’écosse, in / het paradijs van rook en jaren later, / dat, // dat men soms werkelijk leeft?’ Maar in datzelfde gedicht, getiteld ‘Dia-avond’, staat ook de minder originele conclusie: ‘Nu men was / is men groot.’

Valtijd door het verfrissende, humoristische taalgebruik enerzijds een bijzondere bundel maar anderzijds slaagt Schouwenaar er niet altijd in om mooie beelden te pakken. Daarnaast is de bundel door het veelvuldige ‘men’-gebruik technisch minder geslaagd. Toch blijven er een aantal mooie gedichten over zoals ‘Een oud lied’ over nostalgie, ‘Ontbindend’ over de vergankelijkheid,  ‘Gewoon is hij te lijken’ bij een portret van Hans Memling en het weerbarstige liefdesgedicht ‘Dit tafelen’. Wanneer je deze gedichten leest, zul je aanvankelijke kritiek vergeten.

*Uit: Gerrit Kouwenaar, Helder maar grijzer: gedichten 1978-1996. Amsterdam: Querido, 1998

Auteur: Margreet Schouwenaar
Uitvoering: Pocket, 56 bladzijden
ISBN: 90 214 8019 0
Normale prijs: € 16.95
Uitgeverij: Querido

Recent

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

19 november 2007

Net niet spannend genoeg
Door Fatima Bajja

Het lijkt alsof Sylvia Houweling alles heeft wat haar hartje begeert. Ze is getrouwd met Eddie Kronenburg, heeft twee kinderen en woont in een prachtig huis in Amsterdam-Zuid. Toch is het allemaal niet zo mooi als het lijkt. Eddie werkt namelijk in de onderwereld, hij is verantwoordelijk voor het transport van drugs.

Lees meer