1 augustus 2005

De hond zingt in zijn slaap

De hond zingt in zijn slaap, de eerste Nederlandse vertaling van het werk van de Finse Sirkka Turkka, staat barstensvol ‘hond’, ‘paard’, ‘zwart’, ‘nacht’, sneeuw’, ‘dood’… maar nog voller met het woord: ‘ik’. Dat die woordenschat meteen de indruk geeft van een poëzie die is doorspekt met Natureingang, belijdenis en verzuchting, merkt Tonnus Oosterhoff ook op in zijn nawoord. Dat dat nawoord niet van zijn hand zou zijn geweest als Turkka’s poëzie ook echt aan dat vooruitzicht beantwoordde, mag even duidelijk zijn.

Alleen, ging in verwondering een herfstbloem,
zat op de tak van een boom zwijgend
een bedrupte vogel,
een waardige gast, ver uit het Oosten.
En ’s nachts, precies achter mijn raam,
gleed een grote eland in slaap,
als een groot verdriet, een boodschapper
van dat er nu gewoon iets voorbij is,
en dat er nu gewoon iets begint.

Op het eerste gezicht is er niets dat de twee helften van het gedicht verbindt, is er niets wat de vogel die eenzaam op een boomtak zit gemeen heeft met de grote slapende eland. Ze zijn er ‘gewoon’. Het lijkt of ze worden ervaren, waargenomen vanachter een raam: een bedrupte vogel uit het oosten, misschien bedekt met ochtendlijke dauwdruppels, de slapende eland die ’s nachts, met de zon in het noorden, in slaap glijdt. Er is ‘gewoon’ iets voorbij, en er is ‘gewoon’ een begin. En die wissel gebeurt niet noodzakelijk tussen verschillende dingen, tussen iets en iets anders. Het lijkt meer op de wissel van elke dag, een heel leven door, gewoon. De sfeer is natuurlijk, een beetje doods zelfs, verdrietig, maar meer in de zin van een niet te vermijden verdriet, het verdriet van elke dag en van elk mens. Toch is dat niet wat Sirkka Turkka doet uitschijnen:

Herderlijk schrijven aan de Gemeente:
Ik ben niet zoals de anderen, een aan zijn tong vastgenagelde wolf.
Ik ben een hete hond in deze
koude wereld.
Ik ben hier vreemd,
ik spreek een vreemde taal.

De dichter is niet zoals de anderen: ze spreekt een andere taal. Ze bedient zich niet van wolvenwoorden, van een taal die uitspuugt en opslokt, die niet te stoppen is. Ze is een hete hond in een koude wereld, vreemd voor alles en iedereen om zich heen. Het omgekeerde is in dat geval natuurlijk ook waar. Maar waarom moet ze dat dan schrijven aan de gemeente, aan de mensen om haar heen? Waarom moet ze aankondigen dat ze anders is? Waarom is die differentiatie nodig, en waarom moet die zo expliciet worden gesteld? In een van haar gedichten zegt de ikfiguur dat ze contact met mensen mijdt, dat ze er geen moeite voor doet, dat het haar alleen maar energie kost.

ik ben een volledig zonnestelsel, ik ben
nergens van afhankelijk, als ik dat besluit.
Alleen in zoverre mijn lieve leven afhankelijk is
van zijn schitterende aardse onderkomen.

‘Als ik dat besluit’, als zij dat wil. Zelfs de onafhankelijkheid moet verschijnen als een onafhankelijke keuze, om tot afhankelijkheid te kunnen komen (of noodzakelijkerwijs en onvermijdelijk in die toestand te leven en te overleven) zonder schade op te lopen. Verderop in hetzelfde gedicht vervolgt ze:

Ik geloof dat ik in de duisternis van ons leven voor iemand een kostbaar
   kleinood en troost ben,
Kleinod und Trost, voor iemand

De krachtige wens en tegelijk ook de illusie nergens afhankelijk van te zijn keert ze om. Ze gelooft, wat zij in alle onafhankelijkheid niet nodig lijkt te hebben, dat ze zelf troost is, of tenminste kan zijn, voor anderen. En dat in wat ze zelf alsnog en bijna onmerkbaar ‘ons leven’ noemt. De zelfgekozen eigenheid en het geloof in de mogelijkheid van een onafhankelijkheid in die eigenheid wordt krachtig naar de voorgrond geschoven. Ze spreekt niet alleen een wens uit, de wil tot onafhankelijkheid, maar brengt in haar gedichten zo’n krachtdadigheid binnen dat die onafhankelijkheid, die door de lezer als een onmogelijkheid wordt ervaren, als het ware als een beslissing, een bevestiging van buitenaf wordt geprojecteerd. Maar die krachtdadigheid is schijn en wordt belaagd door de kleine scheurtjes die in de gedicht naar binnen sluipen.

Zo ook in:

Ik geef het verdriet geen ruimte,
Laat het niet dichtbij komen.
Duizend meter sneeuw op mijn hart.

Sirkka Turkka wil een afstand scheppen, duizend meter sneeuw, die moet beletten dat het verdriet haar vindt. Alsof verdriet iets is dat zich buiten haar vormt, dat buiten haar ademt en zich verspreidt. Alsof verdriet alleen groeit in momenten die nabijheid suggereren. Dat verdriet iets is wat in nabijheid schuilt, en sowieso toeslaat.

Nabijheid. Toestemming om te doden. En het is uitgesloten
                  dat het leven doorgaat.
Als je de ogen van een watervogel ziet, als je ze
in het donker ziet, dat is de goede afstand.

Nabijheid is mensen toelaten tot jezelf. Mensen toelaten tot jezelf betekent mensen de toestemming geven je te doden; het betekent dat je je eigen leven in de handen legt van moordenaars. Daarom is er afstand nodig, een afstand die je zelfs in het donker toelaat de dreiging te zien, een afstand zo dichtbij.

Ik praat over de dood als ik het leven bedoel.

De hond zingt in zijn slaap staat vol oprechte gedichten, geboren uit een drang naar het scheppen van afstand, en uit een wens de nabijheid te benaderen, gedichten die voortspringen uit een sterk persoonlijk bewustzijn, en uit een bewustzijn van de wereld en het collectieve. Gedichten ook van twijfel, onzekerheid, maar dan van zo’n zuivere echtheid dat die twijfel vastbesloten wordt. Sirkka Turkka’s poëzie is gestileerd maar nergens overdadig, haar herhalen is geen herkauwen, en haar gedachten zijn geen gedateerde musea van gemakkelijke emoties. Turkka schrijft complexe gedichten die hun coherentie niet verliezen, die niet eenduidig te verklaren zijn, maar net door de vele lagen een oprechte toon uitbrengen en hun aantrekkingskracht bewaren. Gedichten vanaf een afstand zo dichtbij.

Sirkka Turkka werd in 1939 geboren in Helsinki. Ze debuteerde in 1973 met de bundel Huone avaruudessa (Een kamer in de ruimte) en heeft sindsdien een tiental bundels geschreven. In 1987 ontving ze de Finlandiaprijs voor de bundel Tule takaisin, pikku Sheba (Kom terug, kleine Sheba), in 2000 werd haar voor haar hele oeuvre de Eino Leino Prijs toegekend. Met De hond zingt in zijn slaap verschijnt het werk van Sirkka Turkka voor het eerst in Nederlandse vertaling.

Sirkka Turkka, De hond zingt in zijn slaap. De Bezige Bij, Amsterdam, 2005.
Vertaling en samenstelling: Adriaan van der Hoeven.
Nawoord: Tonnus Oosterhoff.
ISBN 90-234-1699-6

Recent

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

7 augustus 2017

Een kanjer

4 augustus 2017

Wondranden

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer