2 mei 2005

De Alice voorbij

Eindelijk weer een Ekkers?

Wie kent Remco Ekkers nog? Alhoewel hij nooit echt in het middelpunt van de literaire belangstelling heeft gestaan, is in het laatste decennium niet veel meer van hem vernomen. Daarvoor gaf hij lezingen en workshops over poëzie en mythen, schreef hij poëzie voor jongeren en bovendien kwam je hem nogal eens tegen als schrijver van voorwoorden en bijschriften in allerhande bundels. Het heeft meer dan tien jaar geduurd voordat zijn onlangs verschenen poëziebundel uitkwam, getiteld De Alice voorbij. Vorig jaar verscheen zijn roman De Feeëntrein. Eindelijk weer een Ekkers?

De Alice is een sleepboot. In een kort vraaggesprek zegt Ekkers: “Zo’n boot staat in dienst van…, is een soort slavin. Dat kun je natuurlijk van veel dingen zeggen, maar misschien ook van mensen. Wij staan zelf ook in dienst van… Wij worden gebruikt en wat erger is: opgebruikt. Je kunt mensen als dragers van genen zien. Zij worden gebruikt in de evolutie en zij weten niet in welke richting, met welk doel. Eén ding is zeker: we vallen langzaam uit elkaar. De laatste strofe is metaforisch voor ons eigen levenseinde.” 

De laatste strofe van het gedicht ‘De Alice voorbij’ luidt als volgt:

Uitzicht op bakken met stalen rommel
grijpers, kranen en fragmenten
laatste vaart, weg uit dode rivierarm.

De gedichten die op het openingsgedicht volgen, zijn veelal somber van toon, al dan niet cynisch. Verlatenheid, onbegrip, leegte en angst. Ekkers verrast je weinig met niet al te unieke beelden als: ‘wij leven / omdat wij ooit niet leefden / verbleken omdat wij gelezen zijn’ of ‘er wordt geschoten / met kijktoestellen’. Het van Vasalis bekende beeld in de openingszin: ‘Ondertussen zit de stenen tijd’ of de beminde vrouw die een tweede Troje zou verdienen in: ‘Nu probeert ze te slapen, Trojaanse slet’ zijn evenmin heel origineel. Het gedicht ‘De libellen’ kent een andere inhoud maar ogenschijnlijk eenzelfde kringloopsysteem als het bekende gedicht ‘De visser van Ma Yuan’ van Lucebert.

De achterflap vermeldt dat het gedichten zijn die gaan over de vergankelijkheid van het bestaan. En de poëzie is in ‘uitgekiende observaties, in transparante taal’ beschreven. Heel veel uitgekiende observaties kom ik in deze bundel niet tegen en de taal is soms wel heel transparant. Eén van de mooiste gedichten bevat wel beide kwalificaties.

FRANSUM

Zomer in Fransum
mals gras tussen de graven.

Dunne vogels duiken
uit de waaiende luchten
als harde oorlogsjagers
boven de huizen van dit land.

Je kunt heel lang kijken
vanaf de oude hoogte
over het groene stille land
zie je steeds een schutter sluipen.

De oude bomen schommelen
als pantserwagens gecamoufleerd
langs de lege ringgracht
en de middeleeuwse kerk bewaart
honderd geschonden lijken.

Dít zijn uitgekiende observaties, dít is transparante taal maar dit is ook iets heel anders dan het volgende gedicht.

NATUURRESERVAAT

Hier mag zij rusten in modder
al waait het nu te hard
voor de aansteker, bevende vlam.

Hier aan de rand van het water
dat straks tot rust komt
als de wegwakkerende wind
is gaan liggen.

Ze gieten haar mond vol
haar gezicht.

Vóór de eenzame boomzwarte vork
die dan weer spiegelt, loodkleurig
terwijl in de verte enkele vogels
kalm gaan overvliegen.

Ekkers zei eens in een interview met Annette van den Bosch in Meander: “Er is voor mij geen wezenlijk verschil tussen poëzie voor jongeren en voor volwassenen. De onderwerpen zijn hetzelfde: liefde, dood, angst, eenzaamheid en schuld, alleen de syntaxis, de moeilijkheidsgraad van de taal is anders. Je moet er rekening mee houden dat kinderen minder levenservaring en kennis hebben. Daarnaast moet jeugdpoëzie iets opgewekter zijn, althans niet cynisch, bitter of nihilistisch.” Het verschil in de poëzie van Ekkers is mijns inziens toch wezenlijker dan hij in bovenstaand fragment beschrijft. Ekkers’ jeugdpoëzie is inderdaad levendiger, vrolijker en minder somber. Dit zie ik echter toch als een wezenlijk verschil; het is net zo essentieel als de onderwerpen van de gedichten. Want zijn jeugdpoëzie is tevens origineler, speelser en simpelweg mooier. Een willekeurig gedicht uit de bundel Haringen in de sneeuw (1984) toont dat aan.

KLETSKOUS

Mijn broertje zit soms urenlang
te kletsen terwijl hij een boterham
met kaas en ei probeert te eten.

Niemand luistert, maar hij ratelt
gewoon door; ik lees de laatste Donald
mijn vader gaat naar de telefoon
en mijn moeder schilt een appel.

Zou daar nou niks voor zijn?
Willie Wortel kan misschien een mond-
dempertje uitvinden of zou er iets
te vinden zijn in Douwe Dabberts knapzak?

Kortom: een weinig verrassende en originele bundel. Na tien jaar oogsten is er niet veel kaf van het koren gescheiden. Op enkele mooie gedichten na, ‘Kerkje Middelbert’, ‘Hoe je je dochter moet laten gaan’, verveelt de bundel en laat je schouderophalend achter.

Wouter de Vries

Remco Ekkers – De Alice voorbij
Uitgeverij Kleine Uil
ISBN 9077487166
54 pagina’s

Links
http://www.kleineuil.nl/
http://home.planet.nl/~ekker036/

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

12 oktober 2017

Een antikrimi

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 oktober 2007

Klein boek zonder enige allure
Door Frans

Waarom gaf de commissie – Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek – aan Geert Mak de opdracht om het boekenweekgeschenk 2007 te schrijven? Vermoedelijk vanwege zijn succes met de dikke pil ‘In Europa’. Zou Mak daarom als onderwerp voor zijn boek de Galatabrug, die Europa met Klein-Azië verbindt, gekozen hebben?

Lees meer