Rudger Kopland – Een man in de tuin

Al die jaren daar zat ik te kijken

Door Wouter de Vries

Op het terras in Schipborg heerst een serene sfeer. In de voordagen van de lente, op een voor de tijd van het jaar warme dag, kijk ik over het stroomdal. De Drentse Aa kabbelt tussen haar wallen. Voor het riviertje onzichtbaar, zo’n halve meter boven haar dal, strekt de heide en het grasland zich uit en wordt opgeslokt in lage bebossing. Dit is de omgeving waar Rutger Kopland (70) zich zo thuis voelt:

‘Al die jaren dat ik zat te kijken
op het terras aan de rivier
dacht ik: zoals hier, zo moet het zijn’

Op het terras dacht ik aan de week daarvoor. Ik reed van kerk naar kerk in de provincie Groningen. Een aantal van deze kerken hebben een schitterend geheim. Dat geheim verbergt zich niet lang; het is volop aanwezig in het schip en openbaart zich in volle glorie als het toevallig bespeelt wordt. De orgels van Arp Schnitger, die zich uitstekend lenen voor de barokke orgelkunst van Johann Sebastiaan Bach. Ook over het orgel (en over J.S. Bach) spreekt Kopland zijn bewondering uit:

‘je hoort het eeuwenoude mechaniek, het gekreun
van scharnieren, het geklepper van toetsen
het gekraak van de vloer, het zuchten van wind
hoe er van lucht muziek wordt gemaakt

en er een koraal langzaam door de ruimte zweeft
als een onzichtbare gewichtloze vogel
Leichtigkeit’

Toen ik in de kerk was, zag ik daar het preekgestoelte, de bijbel, het kruis… Terwijl ik langzaam wegdroomde in deze stille heiligheid, dacht ik aan het ontwaken van Kopland:

‘Toen ik al bijna ontwaakt was herinnerde ik mij
dat ik die nacht in het verleden had geleefd
en zonder de geringste verbazing weer
geloofd had dat God bestond’

Aan het einde van het gedicht ontwaakt hij en concludeert dat ‘God weer was verdwenen, ergens in mijn hersenen.’

Het bedachtzame, verbazende, verwonderde, waarnemende karakter van de poëzie van Kopland zorgt ervoor dat aan elk onderwerp betekenis wordt gegeven, die doorgaans maar al te vaak over het hoofd wordt gezien. Na de zware kritiek op zijn werk van Ilja Leonard Pfeiffer in zijn essay ‘De mythe van de verstaanbaarheid’, die is opgenomen in de bundel Het geheim van het vermoorde geneuzel*, heeft Kopland wel weer bewezen dat hij zijn lezers geen vals sentiment opdringt. Hij spreekt in zijn poëzie met oprechte bewondering. En, zoals Kopland zelf zegt, mag het verstaanbaar zijn. Alles met ‘Leichtigkeit’, herhaalde hij enkele malen tijdens een interview met prof. dr. Gillis Dorleijn in een Groningse boekenhandel.

Die leichtigkeit is in deze bundel volop aanwezig. Kopland transformeert bijvoorbeeld ‘mooie gesprekken’ tot gedichten, haast zoals Bernlef en Schippers het in Barbarber deden. Maar er is meer betekenis; de anekdotische gesprekken dienen zonder meer een doel, ze zoeken naar zin. Soms komt het gesprek bedrogen uit, soms had het net zo goed niet gevoerd kunnen worden, soms is het te moeilijk om te volgen. In die gesprekken rolt de dichter van de ene verbazing in de andere.

Wat water achterliet

De bundel opent met de cyclus ‘Wat water achterliet’, die al eerder als bundel verscheen ter gelegenheid van Gedichtendag 2004. Kopland stapt meteen de wereld in van materie en geest met het prachtige openingsgedicht ‘Een koraal’ (waar hierboven ook uit is geciteerd). Hij verbaast zich over het proces van de samenkomst van het grijpbare en ongrijpbare, of ‘hoe er van lucht muziek wordt gemaakt’. Over de samenkomst van materie en geest lees je vaker in deze bundel en overigens in zijn gehele oeuvre. Een niet zo’n verwonderlijk thema voor een emeritus hoogleraar biologische psychiatrie. De manier waarop hij er mee speelt maakt het luchtig, evenals Bach zijn muziek speelt: ‘zo / licht dat het was alsof het geen handen waren / die speelden’. En Kopland sluit het gedicht betekenisvol af met het woord, dát woord dat de gehele bundel typeert: ‘Leichtigkeit’.

Het titelgedicht van de cyclus ‘Wat water achterliet’ beschrijft een ogenschijnlijk toevallig door Van Hoogdalem geschilderd tafereel dat bewaard bleef:

‘je kunt zien dat hij het papier doordrenkte
met water ? water dat nu is verdampt
en de dingen achterliet zoals ze
daar waren, in dat licht’

Later haalt hij de schilder Westerik aan, die over zijn eigen ambacht spreekt:

‘een truc van de oude meesters, zegt hij
het wit daaronder werkt als een spiegel
het geeft een mysterieus gloeien
van binnenuit’

‘en het is waar ?’, besluit Kopland, ‘je ziet in de verf / een mysterieus gloeien van onderhuids / vreugde en verdriet’.

Het luchtige ‘De God in mijn hersenen’ beschrijft een droom, waarin Kopland ‘zonder de geringste verbazing weer / geloofd had dat God bestond’. Daarom ‘wilde hij hem eindelijk wel eens spreken’ en hij belt God op. Na een keuzemenu wordt gezegd dat er nog ‘één wachtende voor u [is, wdv] en die ene bent u’. Deze mededeling doet hem eindeloos nadenken. Maar bij het ontwakend beseft hij dat God in zijn hersenen is. In het eerder genoemde interview wees Kopland betekenisvol met zijn vinger naar de zijkant van zijn hoofd en zei: ‘Daar zit Hij, in mijn hersenen… en nergens anders’. Deze gedachtetheorie wrijft hij er nog eens goed in met dit gedicht, dat uitblinkt van kienheid. Want ondanks het nogal naïeve karakter wordt de theorie stevig gemaakt door de mededeling over de wachtende. De redenatie van de wachtende is als een het symbool van een cirkel en grijpt wederom terug op het thema materie en geest.

In ‘Een anatomisch verslag’ bewandelt hij het landschap van hersenen, de wereld waar zijn overleden moeder had gewoond en ‘ook ik woonde hier’. Kopland vertelt waar het geluid van een cello hem aan doet denken en geeft in ‘Eva, zandsteen, twaalfde eeuw’ en schitterend pure visie op de oorsprong: ‘Voor de steenhouwer was zij de eerste vrouw / op aarde’. En na deze en enkele onvermeld gebleven aardige tot schitterende verzen sluit de cyclus af met twee ‘Mooie gesprekken’ over de ziel en over de mens in de mens.

Het orgel begon te spelen, die middag in die kerk. Dat zuchten, dat kreunen van het mechaniek. De zuivere tonen van ‘Wo soll ich fliehen hin’ die echoden in de stilte ‘en ik ? ik begon hevig te verlangen naar / de troost van een sigaret’.


Raveel

In de volgende cyclus, ‘Raveel’ vergelijkt Kopland in vijf gedichten beelden met gedichten. Elk gedicht begint met het woord ‘zoals’ en sluit af met de woorden ‘zo wil’ en ‘zo moet(en)’. Tussen het begin en het einde geeft hij de vergelijking weer, beeldt hij hem uit. Als een bewonderaar van beeldhouwkunst projecteert hij deze kunst op de poëzie. Hij wil dat ook gedichten ergens beginnen iets te beschrijven, ‘de gaten laten zien in / de taal waar voor de dingen geen plek is’. Een gedicht ‘moet het iets zeggen / en dat niet zeggen en opnieuw zeggen’ en ‘ergens ophouden iets te beschrijven.’ Net zoals beelden dat doen. De nadruk ligt overigens op het woord ‘zijn’ in ‘zíjn beelden’. Dat zijn de beelden van Roger Raveel, die beschouwd wordt als één van de belangrijkste Belgische kunstenaars na 1950. Kopland maakt van Raveel een beeldhouwer van gedichten, hij slaat ze in wezen uit hout. De essentie van Koplands bewondering wordt duidelijk in het laatste gedicht; de gevonden waarheid:

V

Ik las dat de werkelijkheid niet bestaat

er stond: de dingen zijn niet zoals ze kijken
te zijn ? maar ze zijn ook niet anders

vreemde uitsprak
en die ik niet kan vergeten
ik blijf zoeken naar hun waarheid

en soms vind ik die ? in zijn beelden
een onbegrijpelijke waarheid

Een man in de tuin

Evenals de gehele bundel, is de derde cyclus ‘Een man in de tuin’ getiteld. In deze bundel vind je ook het gedicht waarin de titel van de bundel én de cyclus de bedachtzaamheid van Kopland beter dan elders weergeeft. In het gedicht ‘Zelfportret’ verbeeldt hij exact wat een zelfportret verbeelden moet. Met gepaste afstand bestudeer je jezelf van dichtbij om een stap achteruit doen om het overzicht te bewaren. Je staat voor je ik, desalniettemin geportretteerd, peinzend, denkend over wie je bent: een man in de tuin. Kopland bedenkt dat nog nooit iemand zichzelf heeft gezien. En nee, letterlijk niet. Je bent het ook niet, op dat portret. Het is de verbeelding, een weerspiegeling. En precies zo verwoordt hij het verlangen naar het onzichtbare ik:

‘je zoekt in wat er van je
overbleef een man in de tuin’

Na dit besef neemt Kopland je mee naar de wereld van Caeiro, Giacometti, Ovidius. En naar een tafel bij het raam, naar de plek waar je woonde. Hij leert je kijken en vertelt wat de kunst is van het doodgaan. In welk gedicht deze onderwerpen ook naar voren komen, hij bewaart de gepaste afstand. Alsof je in een museum een schilderij bekijkt, of je zelfportret. Het is een kwestie van focussen en achteruit gaan. Overzicht bewaren door de details te koppelen. En die kleine details zorgen voor het grootse, het allesomvattende. Hij bewondert de koralen ‘Wo soll ich fliehen hin’ en ‘Nun komm’ der Heiden Heiland’, de eerste naar het leven en de tweede naar de dood. En ondanks het zoekende en verwonderende besluit hij het schitterende ‘De kunst van doodgaan’ met de twijfel:

‘ik hoop dat dit het is want ik ben bang
dat het anders zal zijn’

In deze cyclus zijn het derde en vierde deel uit de ‘Mooie gesprekken’ opgenomen, getiteld: ‘Maaltijd’ en ‘Het ontelbare’. Het gedicht ‘Maaltijd’ is vrolijk, bijna melig. Want hoe zouden op ‘poëtische wijze heerlijke gerechten / kunnen worden gemaakt’? Het vierde en laatste deel ‘Het ontelbare’ is serieuzer van toon. Men filosofeert over het aantal vogels dat als een zwerm overvliegt, over ontelbaar grote getallen en sluit af met de ‘gebruikelijke hemellichamen’ die enerzijds clichématig worden aangevoerd maar anderzijds onvermijdelijk zijn in het gesprek. Want het ontelbare is niet beter aan te wijzen wanneer het donker is en de sterren schijnen.


Stroomdal

De bundel sluit af met een doorlopend thema in Koplands werk. Het inmiddels overbekende landschap van de Drentse Aa wordt beschreven in de cyclus ‘Stroomdal’. Het riviertje, het terras, de weide, de landerijen, de bossen. De plek waar Kopland zichzelf vindt, verenigd met het landschap. In elf gedichten verbaast Kopland zich over de schoonheid van het landschap, maar:

‘niet om het mooie
moet ik blijven kijken

maar omdat dit landschap mijn zijn rivier
aan niets anders doet denken
dan aan zichzelf’

Gedicht voor gedicht komt Kopland dichter bij de essentie. Het lijkt alsof hij zich langzaam één begint te voelen met de omgeving. Nee, beter: hij wórdt één met het stroomdal. Het is daar goed, het is daar zoals het is en zoals het daar is, kan het niet anders. En Kopland kijkt en ‘het is alsof ik mijn lichaam verlaat’. Hij raakt welhaast in een extase, als niemand weet waar hij is, wat hij ziet en hij dat ook zelf al niet meer weet. Hij is er zelf niet meer want ‘Dit zien is weten hoe het is zonder mij’ en hij benadrukt nog eens hoe vanzelfsprekend het is dat het is zoals het is.

Kopland blijft beschrijven, het lijkt alsof hij er niet meer uitkomt. De gedichten staan bol van de tegenstellingen, eerst is hij er wel, dan niet: ‘of ik hier nu ben en het zie, of niet’ En wanneer je bijna zat lijkt te worden van al die omzwervingen in zichzelf en in dat landschap, pakt hij een schilderij erbij: ‘het is er, zoals / een schilderij er is, het laat zich zien / en het kent geen verlangen’. Even treedt hij buiten zichzelf, even grijpt hij mis. Het schilderij is hier haast te statisch, maar voor kort. Want de dichter wordt nieuwsgierig, hij wil weten hoe het is als híj er niet is. En dan is daar het negende gedicht, dat begint met: ‘Hoe lang al zat ik hier ?’ om vervolgens weer verder te filosoferen: ‘al voor de tijd dat de tijd begon’. Maar toch, het zijn ‘onzinnige waarheden, maar er zijn geen betere’. We komen aan het einde, dichter bij het landschap. Zijn ogen moeten het landschap loslaten. Het is tijdloos, niet te vatten. Nee, Kopland heeft het geprobeerd, maar:

‘het landschap met de rivier
ik zal het nooit kennen’

Moet ik nog meer zeggen? Dit is Kopland op z’n best. Mijmerend, twijfelend, beschouwend, bewonderend. Ach, welk woord moeten we ervoor vinden. Laat staan dat Kopland het zelf zou kunnen beschrijven. Misschien moeten we het, net zoals hij, vergelijken met een beeld, een beeld van Raveel: ‘Zoals zijn beelden laten zien, hoe toevallig en eenmalig de dingen zijn.’

Op het terras kijk ik verschrikt op. Had het landschap mij nu ook meegenomen? Was ik er ook, of niet? Ik bestelde maar een biertje. Want ook ik zal het nooit kennen.

* Ilja Leonard Pfeiffer, Het geheim van het vermoorde geneuzel: Een poëtica. Uitg. Arbeiderpers, Amsterdam, 2003

Rutger Kopland
Een man in de tuin
ISBN 9028240357
Poëzie, 72 pagina’s
Verschenen in 2004
Ingenaaid €14,50

Je bent van harte welkom in de online leesclub om mee te praten over de besproken bundel. Vanaf volgende week gaan we van start. Je kunt je opgeven door in de online leesclub op de omslag van de bundel te klikken en daarna een bericht achter te laten. Dus als je genoten of gewalgd hebt, hetzij vragen hetzij opmerkingen hebt, er alles dan wel niets van snapt: geef je op! Iedereen is welkom.

Omslag Een man in de tuin - Rudger Kopland
Een man in de tuin
Rudger Kopland
Verschenen bij: Van Oorschot
ISBN: 9789028240353
72 pagina's
Prijs: € 14,50

Recent

18 december 2017

Onvergetelijke hommage aan de Shakespeare van de lage landen

Over 'Ik, Vondel' van Hans Croiset
15 december 2017

Drakenbloed en hoestende koeien

Over 'Tijl' van Daniel Kehlmann
14 december 2017

Vergane Hollywoodglorie in de Maghreb

Over 'De oppermachtigen' van Hedi Kaddour
13 december 2017

Literatuur uit de provincie

Over 'Ergens op het eind' van Erik Nieuwenhuis
12 december 2017

Troosteloos zal het in Twente wezen

Over 'De heilige Rita' van Tommy Wieringa