23 april 2007

Kamermuziek, Paul Mennes

Afgaande op het weer, is er sprake van een lente van jewelste. Er zijn ooit tijden geweest waarin een lente ons een nieuw geluid beloofde, maar die tijden, die tijden waarin elke lente weer een gebeurtenis van jewelste was, die lijken achter ons te liggen. Natuurlijk merk ik dit op naar aanleiding van een nieuwe roman, want de temperatuur van de buitenlucht doet me vrij weinig.
Iets wat voor mij elk jaargetijde kan pimpen, is een nieuwe roman van Paul Mennes. Geen winter kan niet verhit worden door; geen zomer kan niet verkoeld worden door. Het toeval wilde dat het nu lente is, en Mennes een nieuwe roman uit heeft. De roman heet Kamermuziek en stond op de website van zijn uitgeverij al lange tijd aangekondigd.
En dan is die roman daar, en het spijt me dit te moeten zeggen, hij valt me tegen. Mennes heeft in het verleden meerdere malen bewezen dat hij een indringend en realistisch beeld van de jeugd neer kon zetten. Als je zijn eerdere romans bekijkt, vanaf zijn indringende debuut Tox (1994), is het altijd duidelijk geweest dat Mennes een zeer scherpe kijk had op alles en iedereen om hem heen. Je zou zelfs kunnen zeggen dat hij als geen ander de generatie Nix in beeld kon brengen. Dat klinkt als een spook uit het verleden, uit de tijd dat die generatie nog een literair gezicht had in de vorm van allerlei schrijvers die niet konden tippen aan Mennes’ humor en stijlgevoel. Mennes, geboren in 1967, wist feilloos de vinger op de zere plekken van de jeugd te leggen. Ikzelf ben van 1977, en dus tien jaar jonger dan Mennes. Vanaf zijn eerste boek heb ik hem geprezen om zijn scherpe blik en zijn meedogenloze stijl: ja, zo kunnen wij zijn, ja, dat kunnen wij doen. En plotsklaps leek het erop dat Mennes zijn contact met mijn generatie kwijt geraakt was. In zijn vorige roman Poes poes poes leek hij zich dat te beseffen en liet hij dat achter zich. In zijn nieuwe roman is de hoofdpersoon echter wederom iemand die bijna dertig is, mijn leeftijd dus, en warempel, van herkenning is bij mij geen sprake meer. Niet dat dat voor een roman voor de lezer van belang is, maar het lijkt er op dat Mennes en ik kanten op zijn gegaan die niet meer samenvallen. Natuurlijk heb ik maar te accepteren dat Paul Mennes niet de chroniqueur van mij leven is en dat hij niet eeuwig kan blijven schrijven over mij, ons, whatever, simpelweg omdat hij te goed is voor een one trick pony.
In Poes poes poes draaide het verhaal om de zonsverduitering, in Kamermuziek speelt een lichte aardbeving een rolletje. Hoofdpersoon Sam, 29, nog steeds bij zijn ouders wonend, wordt met harde hand het huis uitgewerkt, komt terecht in een gedeeld woonhuis met een stereotypische computernerd en een even stereotypisch meisje dat even makkelijk van gothic overschakelt op zweverig. Sam voelt zich in de steek gelaten door zijn ouders, aangezien zij denken dat ze door hem het huis uit te werken, geen zoon verliezen maar een kamer te winnen. Sam praat niet met zijn ouders en evenmin met zijn grootmoeder, waar hij daarna tijdelijk gaat wonen. Hij praat alleen met zijn psychiater, een oudere vrouw op wie hij geheel volgens de regels die hij zelf beseft, verliefd wordt. En later wordt hij verliefd op zijn huisgenoot. De eerste is onbereikbaar omdat ze Sams arts is, de tweede blijkt even onbereikbaar omdat ze lesbisch blijkt te zijn. Sam schippert tussen opstandigheid en door medicijnen gecontroleerde verstandigheid. Als hij op zeker moment zijn medicijnen tegen angst- en woedeaanvallen niet meer neemt omdat hij niet meer naar zijn psychiater wil, wordt een en ander natuurlijk op het spits gedreven. Middels verhaaltechnische trucs als een fotograferende robothond en een waarzeggende buurvrouw, wordt het rustig voortkabbelende verhaal naar een climax gedreven. Er zijn allemaal dreigende ingrediënten als een diepvrieskist in de kelder en verwijzingen naar films die slecht aflopen, maar uiteindelijk komt Sam weer bij zijn psychiater terecht en beseft hij donders goed wat er allemaal mis is gelopen.
Volgens de achterflap is ‘Kamermuziek een geestige en haarscherpe roman waarin de hoofdpersonen zin trachten te ontdekken in de onzin van een op hol geslagen wereld.’ Dat is niet waar. De roman is wel geestig, dat klopt. Als je om een boek van Mennes niet keihard kan lachen, dan is er echt iets mis. De parodie op Sex and the City bijvoorbeeld, erg leuk. Dat valt dus mee. Maar als de hoofdpersonen in deze roman werkelijk bezig zijn met het ontdekken van zin in een wereld, dan is dat mij niet opgevallen. Of het zou moeten zijn dat Sam zich uiteindelijk neerlegt bij het feit dat zijn psychiater het niet slecht met hem voor heeft. Dat vriendschap niet voor eeuwig is. Dat personen om hem heen minder statisch zijn dan hij had bedacht. Opzienbarend kan je dat niet noemen.
Waarom kan ik niet besluiten dat Mennes gewoon een prima voor de vuist weg lezende roman heeft geschreven? Dat heeft hij namelijk wel. De vaart zit er in, Mennes kan nog steeds beter schrijven dan al zijn terecht vergeten generatiegenoten, zijn stijl is goed, het verhaal blijft toch boeien tot het eind. Maar ergens neem ik het Mennes kwalijk dat hij zijn touch met de tijdsgeest kwijtgeraakt lijkt te zijn. Ik had zo graag een nieuwe Mennes gelezen die mij (weer) schaterlachend wees op de ‘de onzin van een op hol geslagen wereld’ die ik had kunnen herkennen. Nu heb ik schaterlachend een roman gelezen over een aantal personages dat dingen doet die nogal vrijblijvend zijn, die binnen het verhaal kloppen, maar die niets, niets te maken hebben met onze op hol geslagen wereld, ongeacht geboortejaar of psychiatrische stoornis. De personages zien op televisie dat er een filmregisseur op straat is doodgestoken, en 11 pagina’s later wordt gerefereerd aan de dood van Joe van Holsbeeck, die in april 2006 op het centraal station van Brussel werd neergestoken voor een MP3-speler. Zo half in een bijzinnetje wordt ons een op hol geslagen wereld toegeschoven. En de personages zoeken daar dan zin in door naar de tv te kijken omdat ze even niets anders te doen hebben. Dat is geen echt op hol geslagen wereld, dat is geen zin zoeken en dat is ook niet het omgekeerde, het je volledig van de wereld afsluiten. Dat is een beetje van alles, een beetje niks.
Ik had zo graag een scherper, bijtender, meer accuraat boek gelezen dan dit.

Patrick Bassant, Literair Vlaanderen 

Recent

20 november 2017

Het leven ontwijken

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 november 2007

Een aantal jaren geleden heb ik een boek gelezen getiteld De kunst van het niets doen. Veel mensen reageerden met: "Oh, dat zou ik ook wel willen, een tijdje niets doen." Daar ging het boek echter helemaal niet over. Dat boek ging over Taoïsme en de gebeurtenissen in je leven op je af laten komen, van alle kanten bekijken, en dan weer verder gaan met je leven. Niet steeds in willen grijpen, dingen naar je hand willen zetten of bezweren. In het nu leven, de weg gaan die klaarblijkelijk zo moet zijn. Bij dit boek reageren mensen hetzelfde "Dat is toch dat boek van die dominee die niet in God gelooft? Dat is toch die atheïst?." Opschudding alom.

Een aantal jaren geleden heb ik een boek gelezen getiteld De kunst van het niets doen. Veel mensen reageerden met: "Oh, dat zou ik ook wel willen, een tijdje niets doen." Daar ging het boek echter helemaal niet over. Dat boek ging over Taoïsme en de gebeurtenissen in je leven op je af laten komen, van alle kanten bekijken, en dan weer verder gaan met je leven. Niet steeds in willen grijpen, dingen naar je hand willen zetten of bezweren.

Lees meer