4 december 2006

Elementaire deeltjes – Michel Houellebecq

Winnaar recensiewedstrijd

Begin november schreef Literair Nederland een recensiewedstrijd uit. Uit de inzendingen koos de redactie de onderstaande recensie van Ludo Hellemans over
Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq. De recensie geeft blijk van een gedegen analyse van de roman en een originele en duidelijk becommentarieerde visie op het verhaal.
De prijs bestaat, buiten deze publicatie, uit een boekenpakket.

 

In Houellebecqs roman Elementaire deeltjes is de mens een diersoort. En niet zomaar een diersoort, maar een zieke, aan seks lijdende soort die er goed aan zou doen zichzelf op te heffen en van het toneel te verdwijnen. Weinig romans wisten zoveel hatelijke reacties op te roepen als Elementaire deeltjes van de Franse schrijver, dichter en popzanger Michel Houellebecq. De befaamde literaire prijs Prix Goncourt werd hem uit rancune ontfutseld. Waarom? Omdat er nog steeds een taboe rust op het beschouwen van de mens vanuit een biologisch perspectief.

 

De mens als seksueel mechaniek
Het biologische mensbeeld in Houellebecqs roman Elementaire deeltjes

‘Vroeg lijfelijk contact lijkt van vitaal belang bij de hond, de kat, de rat, de cavia en het resusaapje (Macaca mulatta). Wanneer er tijdens de kindertijd geen contact met de moeder is, ontstaan er ernstige verstoringen van het seksuele gedrag bij het mannetje, met name remming van het hofmakingsgedrag.’
Dit citaat is kenmerkend voor Elementaire deeltjes van Michel Houellebecq (1) . Is dit een wetenschappelijk betoog of lezen we een roman? Dat kun je je blijven afvragen bij het lezen van Elementaire deeltjes. Het boek is van begin tot eind doorspekt met biologielesjes die soms rechtstreeks afkomstig lijken te zijn uit een studieboek. Toch is het een roman, over liefde en geluk. Maar ook een roman à thèse, een tendens- of ideeënroman. Eén waarin de auteur het erin lijkt te willen hameren dat we niet om de biologie heen kunnen en al helemaal niet om de ethologie, de biologie van het gedrag van mens en dier. Houellebecqs biologisch mensbeeld zoals dat tot uiting komt in Elementaire deeltjes berust op een fundamenteel ethologisch gegeven: hoe belangrijk warm huidcontact en liefderijke zorg in de prille levensfasen zijn voor de normale ontwikkeling van de seksualiteit en het vermogen om liefdesrelaties aan te knopen.
Des te opvallender is het dat daar in de pers zo weinig over is geschreven. Je zou haast spreken van een blinde vlek. Is de politiek correcte taboeïsering van biologische interpretaties van menselijk gedrag uit de jaren Zestig en Zeventig vandaag nog steeds werkzaam? Mogelijk. Deze taboeïsering komt grotendeels op rekening van de generatie van ’68, de intellectuelen van de naoorlogse babyboomgeneratie. In hun gedachtewereld was er geen plaats voor zoiets als gedragsbiologie omdat dit vakgebied teveel herinneringen opriep aan het taalgebruik van de nazi’s. In plaats daarvan was de gedragssociologie hun favoriete paradigma. Het zijn juist de opvattingen van deze generatie intellectuelen die Houellebecq in Elementaire deeltjes zo vernietigend beschrijft. Misschien voelen sommige recensenten zich persoonlijk beledigd en is dat een reden waarom Houellebecq zo vaak wordt afgeschilderd als een pornograaf die niets serieus te vertellen heeft.
Elementaire deeltjes is het levensverhaal van twee halfbroers, Bruno en Michel. Ze hebben dezelfde moeder, Janine, een rijke vrouw die haar heil zoekt in de hippiecultuur en haar beide jongens meteen na de geboorte verwaarloost en afstoot. (Peuter Michel ‘kroop onhandig over de vloer, af en toe uitglijdend in een plas urine of uitwerpselen. Hij knipperde met zijn ogen en kreunde zonder ophouden. Toen hij de aanwezigheid van een mens gewaarwerd, probeerde hij te vluchten.’) Ze worden ieder apart bij grootouders onder gebracht. Bruno’s grootouders overlijden echter en hij komt in een internaat terecht waar hij door medescholieren wordt gepest. Later studeert hij Franse letterkunde en wordt hij leraar Frans.
De andere broer, Michel, ontwikkelt op jeugdige leeftijd interesse voor natuurwetenschap. Hij wordt een rationalist, studeert fysica en wordt vervolgens een getalenteerde onderzoeker. Hij doet baanbrekende ontdekkingen over de moleculaire mechanieken die ten gronde liggen aan de menselijke voortplanting. Met beide halfbroers gaat het op seksueel en relationeel vlak volledig mis. Bruno’s seksuele leven speelt zich af in de wereld van peepshows, Thaise massagesalons, bordelen, seksparty’s, parenclubs, en wat al niet meer. Hij valt op jonge meisjes (‘blonde, bruine, roodharige. Franse, Noord-Afrikaanse, Aziatische…allemaal verrukkelijk, allemaal begeerlijk’), masturbeert in de klas en in de metro en verliest zijn baan als leraar na een seksueel vergrijp. Hij eindigt in een psychiatrische inrichting. Michels seksualiteit ontwikkelt zich daarentegen op een compleet andere wijze. Hij is niet of nauwelijks geïnteresseerd in seks en leidt ‘een zuiver intellectueel bestaan’. Emoties schrikken hem af en alleen al de gedachte aan zoiets als vrijen, bezorgt hem een gevoel ‘alsof hij in ijskoud water wegzonk’. En dat terwijl het mooiste meisje van de school, Annabelle, smoorverliefd op hem is. Later ontwikkelt hij als moleculair bioloog de grondbeginselen van een nieuwe techniek om (seksvrije en onsterfelijke) mensen te klonen. Maar zelf maakt hij de realisatie van zijn project niet meer mee. Hij verdwijnt. Men veronderstelt dat hij een eind aan zijn leven heeft gemaakt door zich te verdrinken in de Ierse zee.
De talrijke onverbloemd seksuele passages in dit boek hebben veel stof doen opwaaien in de media. Ook het thema ‘klonen van de mens’, dat Houellebecq als science fiction heeft verwerkt, was reden voor ophef. Houellebecqs flinterdunne sciencefiction plot, de schepping van een nieuwe mensheid die niet meer hoeft te lijden onder wrede biologische wetmatigheden, ligt in het verlengde van de ethologie. Het is niet het belangrijkste thema van het boek; het komt pas op de laatste pagina’s enigszins uit de verf. Volgens Houellebecq is het niet meer dan een toevoeging, een ‘interessante denkpiste’ (2).
Helemaal op het eind van het boek komt de aap uit de mouw als blijkt dat de alwetende verteller een kloon is, een exemplaar van de kunstmatige supersoort die is gemaakt volgens een procédé dat een van de twee hoofdpersonen heeft bedacht. Aan het eind van de eenentwintigste eeuw blikt deze kloon terug op de tweede helft van de twintigste eeuw: ‘De mensheid moest verdwijnen, de mensheid moest een nieuwe, ongeslachtelijke en onsterfelijke soort voortbrengen die de individualiteit, het isolement en de verwording achter zich had gelaten.’  (3)Ongeslachtelijk en onsterfelijk – geen dood, geen seks, geen ellende. Zo simpel is dat. En ook: geen mannen. Houellebecqs klonen worden namelijk geproduceerd uit vrouwelijk materiaal; en passant rekent hij dus ook af met het verschijnsel man.
Herhaaldelijk brengt Houellebecq de sciencefictionklassieker Brave New World uit 1932, van Aldous Huxley, ter sprake. Daarin worden verschillende typen mensen in grote reageerbuizen gekweekt. Huxley laat zorgvuldig in het midden of deze mensen een hel of een hemel te wachten staat, net zoals ook bij Houellebecq de toekomst in nevelen gehuld blijft.

 

Apen- en mensenbaby’s
Met veel meer aplomb presenteert Houellebecq zijn visie op het heden, zijn kritiek op de huidige westerse samenleving. Waarom gaat het in onze samenleving zo vaak fout tussen ouders en kinderen, tussen geliefden, tussen mensen überhaupt? Volgens Houellebecq omdat men te vaak een aantal elementaire biologische waarheden zoals het cruciale belang van moederliefde en huidcontact, negeert. De biologische kennis die Houellebecq in Elementaire deeltjes ten toon spreidt, berust onder meer op gedegen biologisch onderzoek naar de relatie tussen moeder en kind dat in de jaren vijftig en zestig (van de twintigste eeuw) is uitgevoerd.
De Amerikaanse etholoog Harry F. Harlow verwierf grote bekendheid met zijn experimenten op apenbaby’s in een primatencentrum in de Verenigde Staten. Harlows proeven staan beschreven in tal van studieboeken (4).  Hij ging als volgt te werk: pasgeboren resusaapjes werden bij hun natuurlijke moeder weggehaald en kregen vervolgens twee kunstmoeders van ijzerdraad aangeboden. De een was ter hoogte van de borsten voorzien van een zuigfles, de ander was overtrokken met een zachte stof. Hoe de babyaapjes reageerden, is bijvoorbeeld te zien in Bert Haanstra’s film Bij de beesten af (1972). Het is meelijwekkend om te zien hoe het babyaapje zich angstig vastklemt aan zijn gestoffeerde kunstmoeder, totdat de honger hem naar de andere kunstmoeder drijft, die met de melkfles. Aapjes die zó zijn grootgebracht, zonder huidcontact met een echte warme zachte moederende volwassene, zijn voor de rest van hun leven beschadigd. Ze kunnen zich niet aanpassen aan een normaal apenleven en zijn doodsbang voor hun soortgenoten. De grootste schade betreft hun seksueel gedrag: ze kunnen niet vrijen en ook geen jongen zogen en verzorgen. Als ze toch jongen krijgen, worden die verwaarloosd en verstoten. Deze onbarmhartige experimenten met primaten en andere zoogdiersoorten hebben belangrijke kennis opgeleverd, ook voor ónze soort. Als gevolg van deze experimenten is men pas werkelijk gaan beseffen hoe belangrijk liefdevolle huidcontacten zijn voor de normale ontwikkeling van mensenbaby’s. Dit besef maakt tegenwoordig deel uit van de basiskennis van psychologen, verpleegkundigen en kinderartsen.
De parallel tussen deze ethologische experimenten en het lot van Houellebecqs personages Bruno en Michel is evident: beide halfbroers hebben dat onontbeerlijke huidcontact met hun moeder in de kritieke levensfase moeten ontberen, en beiden hebben zich op seksueel vlak abnormaal ontwikkeld. De sekspassages in Elementaire deeltjesbetreffen hoofdzakelijk de tastzin: nauwgezette beschrijvingen ? zeg maar close ups – van geslachtsorganen en slijmvliezen die met elkaar in contact zijn. De seksuele bevrediging vermag echter niet dat oorspronkelijke gemis aan huidcontact tussen moeder en kind weer goed te maken. 
Het haperende erotische mechaniek
Elementaire deeltjes gaat over het verlangen naar liefde, over verliefd zijn, over de aangeboren menselijke erotische impuls om te willen aanraken wie en wat men liefheeft. Tegelijkertijd staat Houellebecq in de hedendaagse literatuurgeschiedenis niet voor niets geboekstaafd als dé vertegenwoordiger van het Franse déprimisme (5) : liefde en seks zijn in zijn ogen een bron van ellende. Deze mistroostige en misantropische visie beschrijft hij op keiharde, indringende en soms pijnlijke wijze. Eén van zijn motto’s is dat je als schrijver juist dáár moet slaan waar het pijn doet: ‘frapper là où ça fait mal’. (Elementaire deeltjes kun je maar beter niet gaan lezen als je in een dip verkeert.) Niettemin zijn er een paar romantische passages die over zuiver verlangen naar liefde gaan, en die juist door hun zeldzaamheid extra betekenis krijgen. Maar dan slaat de auteur weer toe: die zuiverheid gaat in de puberteit alsnog reddeloos verloren.
Beetje bij beetje, op een gefragmenteerde, collageachtige wijze, bouwt Houellebecq zijn betoog op. Als literair auteur neemt hij de vrijheid om wetenschappelijke (biologische) feiten te gebruiken om zijn betoog kracht bij te zetten (een techniek die bekend is in de reclame- en propagandawereld).
Een van die fragmenten verhaalt van de jongen Michel, die toen hij negen jaar was eens met zijn nichtje Brigitte in een weiland speelde. Ze vallen in het gras, en ‘hij vlijde zich tegen haar warme boezem. Ze droeg een korte rok. De volgende dag zaten ze onder de rode blaasjes, hun hele lichaam jeukte verschrikkelijk. Trombidium holosericum, ook wel oogstmijt genoemd, komt in de zomer zeer algemeen voor in grasvelden.’ Dan volgt een pedante biologische descriptie van deze oogstmijt, gevolgd door die van nog een andere jeukverwekker, Linguatula rhinaria, de tongworm (6).
Het spontane en onschuldige huidcontact tussen Michel en het meisje wordt meteen gevolgd door hevige jeuk. Het doet denken aan het behavioristische begrip van conditionering (gedrag inprenten door straf en beloning). Misschien kwam deze nare ervaring net op een cruciale fase in de seksuele ontwikkeling van de jongen; op de een of andere manier is het in zijn hoofd blijven zitten.
Het komt nooit meer goed in de treurige wereld van Houellebecq, want deze wordt beheerst door krachten waar de mens geen invloed op heeft. Ook de titel wijst in deze richting. Elementaire deeltjes zijn de bouwstenen van atoomkernen: protonen, neutronen, quarks enzovoorts. Deze deeltjes worden bijeengehouden door enorm sterke aantrekkingskrachten. De seksuele natuurkrachten die bij alle zoogdiersoorten en dus ook bij de menselijke soort de twee seksen naar elkaar toe drijven zijn in sterkte te vergelijken met die kernkrachten. Seks heeft een prominente plaats in Elementaire deeltjes. Seksualiteit, dat is natuurlijk biologie.
Het uitgesproken biologische karakter van Houellebecqs boek wordt weerspiegeld in zijn taalgebruik. In de (overigens zeer mooie) vertaling van Martin de Haan is dit kenmerk helaas sterk afgezwakt. Een voorbeeld: Houellebecq gebruikt een aantal keren de typisch biologische uitdrukking mutation, en wel in de combinatie mutation métaphysique. In de biologie is een mutatie een permanente verandering in het DNA. Het is aannemelijk dat Houellebecq die een biologisch vak heeft gestudeerd (landbouwkunde) deze term juist heeft gekozen vanwege de krachtige biologische connotatie. De Haan vertaalt dit echter met ‘metafysische omwenteling’ in plaats van ‘metafysische mutatie’. Daardoor wordt de bètawetenschappelijke connotatie omgezet in een alfawetenschappelijke (7) . Zonde! Zo wordt de angel uit Houellebecqs vlijmscherpe betoog gehaald (8).
De angel uit het betoog halen, dat is ook het effect van de blinde vlek voor de ethologie in Elementaire deeltjes bij tal van recensenten. Naar mijn mening is het juist die angel die het boek de moeite waard maakt. Houellebecq betoogt in Elementaire deeltjesdat de biologie, en dan vooral de ethologie, vandaag de dag méér zinnigs te zeggen heeft over liefde en geluk dan alle geesteswetenschappen bij elkaar. Een stelling die niet wordt ontkracht door haar te negeren. 
Noten

(1) Michel Houellebecq: Les particules elementaires; Flammarion, 1998.
Nederlandse vertaling door Martin de Haan ; Uitgeverij De Arbeiderspers, 1999. Dit citaat : p. 65.
(2) Interview door Sofie Messeman en Piet de Moor, De Groene Amsterdammer, 25-8-99.
(3) P. 330. Dit citaat, en alle volgende, uit de Nederlandse vertaling van Martin de Haan.
(4) Informatie afkomstig uit: Niko Tinbergen, De dieren en hun gedrag; Parool/Life Natuurserie, 1966.
(5) Zie bijvoorbeeld: Margot Dijkgraaf, Franstalige literatuur van nu. Een vreemd soort geluk. De Geus, 2003.
(6) Elementaire deeltjes, p. 36
(7) Hetzelfde gebeurt bijvoorbeeld bij de vertaling van évolution als ‘verandering’ of ‘ontwikkeling’ in plaats van ‘evolutie’.
(8) Deze stelling is voorgelegd aan vertaler Marin de Haan, die daarover contact heeft gehad met de auteur, Michel Houellebecq. De Haan vroeg hem of ‘mutation métaphysique’ voor hem een biologische bijklank heeft. De Haan: ‘Hij (Houellebecq) antwoordde zeer resoluut van niet, en dat het woord gewoon op een grote verandering sloeg.’ Maar heeft de auteur het laatste woord? Ik denk van niet. Wel een interessante vraag: wie heeft hier gelijk, de auteur, de vertaler, de recensent? Wat ter discussie staat is de autonomie van de tekst, en het gelijk van de lezer. (Mosaïek 6, 2, herfst 2004.) 

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 oktober 2007

Klein boek zonder enige allure
Door Frans

Waarom gaf de commissie – Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek – aan Geert Mak de opdracht om het boekenweekgeschenk 2007 te schrijven? Vermoedelijk vanwege zijn succes met de dikke pil ‘In Europa’. Zou Mak daarom als onderwerp voor zijn boek de Galatabrug, die Europa met Klein-Azië verbindt, gekozen hebben?

Lees meer