2 januari 2006

De Parbo-Blues

De eerste keer in mijn leven dat ik me er bewust van was dat ik Miles Davis hoorde, A kind of blue, was in een ander tijdperk. Een tijdperk zonder e-mail, zonder sms-verkeer. Het waren de dagen waarin we nog onderscheid maakten tussen luchtpostbriefpapier en de dikkere blaadjes die je gebruikte wanneer jouw epistel slechts een andere stad als eindbestemming had. Van een moderne vriendin die geen zin had in geduldig papier, kreeg ik in mijn provinciale brievenbus een dikke bubbeltjesenveloppe met een bandje er in, de zogeheten cassettepost. Het bandje stond vol met tori’s (verhalen) waar de heimwee naar Suriname vanaf droop. Klaagzangen over P’tata, zoals we Nederland noemden, werden afgewisseld met toch wel zeer spannende verslagen over haar leven in Amsterdam. En tussen haar gebabbel had ze, als bindende factor, Miles Davis’ muziek opgenomen. Kalmerend en onrustbarend tegelijk. Mooi vond ik het.
Als terugkerend thema komen we de muziek van Davis in Tessa Leuwsha’s debuutroman de Parbo-blues  telkens weer tegen. Niet zozeer als rode draad ? hoewel de kleur wel het toepasselijke alarmsignaal symboliseert ?, maar meer als een haperende hartslag, zoals die te zien is op een monitor, een ononderbroken levenslijn die regelmatig, en soms opeens met horten en stoten pieken en dalen laat zien. 
De Parbo-blues vertelt het verhaal van Henry Charmes, een Surinamer die als jonge vent de Nederlandse maatschappij als een handschoen heeft aangetrokken, passend tot op de millimeter. Bedrieglijk gemakkelijk beweegt hij zich in Holland, alsof hij niet anders weet en niet anders gewild ook. Maar onderhuids zit het niet goed, ‘under his skin’ komt Nederland niet, en wél Mama Sranan. Dat geeft wrijving. Zijn stemmingen slaan om als een herfstblad aan een boom, een ademstoot kan genoeg zijn om het blad te laten vallen. Jazzmuziek en vele joints doen het tij vaak keren, maar voor zijn kinderen Anna en Waldy en zijn (Nederlandse) vrouw Johanna, blijft het een onvoorspelbaar leven.
Na zijn dood bezoekt Anna haar vaders geboorteland en door haar ogen zien wij Henry’s ouders vorm krijgen. Daarmee wordt ook het portret van Henry steeds genuanceerder. De pijnlijke jeugdherinneringen van Anna, waarin de gezinsleden voortdurend lijken te balanceren om een ‘normale’ sfeer in huis te behouden, worden hierdoor minder scherp.
De wortels van Anna liggen bij Heline, de oermoeder, die in het slaperige rijstdistrict Nickerie haar Prince onmoet. En Prince is de universele Surinaamse vader die van God-weet-waar komt en al vroeg uit beeld verdwijnt, om er later zonder er al te veel woorden aan vuil te maken weer in op te duiken, wanneer Heline een moeizaam bestaan als wasvrouw opbouwt in Paramaribo. Uiteindelijk wordt Henry’s droom om naar Nederland te gaan werkelijkheid dankzij een misstap van Prince. Een vaderlijke daad tegen wil en dank.
De roman leest plezierig, je wilt hem heel langzaam lezen zodat je ten volle kunt genieten van de parels die Leuwsha’s volzinnen en sfeertekeningen zonder enige twijfel zijn. Een simpele zoemende muskiet bezorgt de lezer ademloze momenten. Ontroering schuilt in minimale gebeurtenissen, zoals bijvoorbeeld de scene waarin Johanna dankbaar verrast is wanneer haar schoonmoeder Heline ook voor haar en de kinderen een beker warme cacao maakt, compleet met vel en voetbad. Lichtvoetiger dan het zwaarmoedige verhaal dat ze te vertellen heeft, springt de schrijfster van heden naar verleden, ver en dichtbij. Nickeriaanse rijstvelden, brandend in de zon, maken plaats voor een benauwde huiskamer van een Amsterdamse bovenwoning. En daardoorheen blaast Miles op zijn trompet. Op pagina 21 van de Parbo-blues staat: ‘Ze horen bij de tropen, die tonen.’ En als die tropen onlosmakelijk zijn verbonden met wie jij bent, maar jij niet in de tropen bent, dan kan het gaan wringen.

Tessa Leuwsha, De Parbo-blues. Uitgeverij Augustus, Amsterdam 2005. ISBN 90-457-0233-9

mv

Recent

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

19 november 2007

Net niet spannend genoeg
Door Fatima Bajja

Het lijkt alsof Sylvia Houweling alles heeft wat haar hartje begeert. Ze is getrouwd met Eddie Kronenburg, heeft twee kinderen en woont in een prachtig huis in Amsterdam-Zuid. Toch is het allemaal niet zo mooi als het lijkt. Eddie werkt namelijk in de onderwereld, hij is verantwoordelijk voor het transport van drugs.

Lees meer