5 september 2005

Storing

Beklemming. Dat is het gevoel dat je bekruipt bij het lezen van Storing, de onlangs verschenen verhalenbundel van de 84-jarige Marga Minco. En plaatsvervangende schaamte. Veel van de verhalen zijn een aanklacht aan het adres van iedereen die de oorlog overleefd heeft, aan diegenen die, zo niet actief hebben bijgedragen aan de jodenvervolging, dan toch wel onvoldoende tegen de jodenvervolging ondernomen hebben en die zich geen rekenschap geven van hun houding.

Twee verhalen uit de bundel (die ook in alle recensies van Storing geprezen worden) verwoorden deze aanklacht onomwonden: het titelverhaal “Storing” en het verhaal “Door het land”. Het titelverhaal gaat over de eerste ontmoeting, ten behoeve van een radio-interview vijfentwintig jaar na de oorlog, van de ik-figuur met de vrouw bij wie de ik ondergedoken heeft gezeten. De ik-figuur vraagt zich bij het binnenkomen van de radio-studio meteen al vertwijfeld af waar zij aan begonnen is. Haar angst wordt vervolgens bewaarheid. De vroegere “weldoenster” werpt haar vrijwel meteen voor de voeten: “Je hebt nooit iets van je laten horen.” Ook blijft ze de ik-figuur stug bij diens onderduiknaam noemen en zegt verbaasd als ze haar in eerste instantie niet herkent: “Je was vroeger blond.”

In “Door het land” herinnert de ik zich vergelijkbaar pijnlijke situaties uit de tijd toen zij als schrijfster het land door reisde met lezingen. De schrijfster springt daarbij heen en weer tussen heden en verleden. Datzelfde gebeurt ook in de andere verhalen in de bundel.

In bijna alle verhalen drijven herinneringen van de ik-figuur aan vroeger naar boven. De sfeer van de verhalen is er een van weemoed (naar het kinderlijke verleden) en bitterheid (over wat er met dat verleden is gebeurd). Marga Minco schrijft als altijd afstandelijk maar met steeds een subtiele ondertoon van kritiek. De kijk van de ik-figuur op de mensen om haar heen is er niet één om vrolijk van te worden. Waar er in deze verhalen sprake is van onbekommerd geluk betreft het altijd herinneringen aan momenten van voor de oorlog. In interviews noemt Marga Minco Patrick Modiano als haar voorbeeld. Net als hij schrijft ze over de onmogelijkheid het verleden los te laten. Toch zou je dat de ik-figuur toewensen, als dat niet zo belachelijk zou zijn.

“Ik ben niemand dankbaar”, zegt Marga Minco ook in één van die interviews. Woorden die ook in de mond gelegd worden van de ik-figuur van “Storing”. Minco schrijft in de ik-vorm, maar de verhalen in Storing zijn, als we de auteur moeten geloven, verzonnen. Het is fictie, hooguit aangelengde of aangedikte werkelijkheid. Toch is de verbeelding voor mijn gevoel ver te zoeken in deze verhalen, behalve in de twaalf droomverhalen. Misschien vind ik die daarom interessanter. Ongerijmd en absurd als dromen zijn, vol warrige associaties en rare sprongen, maar met dezelfde ondertoon van verwijt en beklemming die de hele bundel ademt.

ISBN 90 234 14918
Prijs: 15 Euro

Recent

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

14 september 2017

Daar waar granaten fluiten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer