18 augustus 2003

Spiegel van de surrealistische poëzie in het Nederlands

Soms kom je een boek tegen waarvan je niet had verwacht dat het zou bestaan. Zo vond ik bij de laatste Boeken aan de Amstel een Spiegel van de surrealistische poëzie in het Nederlands. Op school was me toch altijd verteld dat het nooit echt wat geworden is met het surrealisme in de vaderlandse poëzie?

Wat leerde onze leraar Nederlands ons? De stroming die begin jaren twintig dankzij André Breton in Frankrijk voortvloeide uit het dadaïsme, kreeg in de lage landen niet veel voet aan de grond. Dit had mede te maken met de afwijzende houding die letterheren als Engelman en vooral Du Perron aannamen. Eigenlijk was in de jaren dertig alleen Theo van Doesburg zeer positief over het surrealisme. In de oorlogsjaren 1941-’44 ontstond wel een enthousiast groepje rond het tijdschrift De Schone Zakdoek, dat in een oplage van één exemplaar verscheen. De redactie, bestaande uit Gertrude Pape, Theo van Baaren en Jan Wit, werd geholpen door later succesvolle jongelingen als Cees Buddingh', Chris J. van Geel, Louis Th. Lehmann en Leo Vroman. Het zou echter overdreven zijn om van een werkelijk invloedrijk tijdschrift te spreken. Na de oorlog nam de aandacht voor het surrealisme wel toe, vooral door de opkomst en het succes van de Vijftigers, maar van een surrealistische beweging was geen sprake: eerder ging het om een toegenomen waardering voor bepaalde elementen uit het gedachtegoed van een stroming die al weer een tijdje over z’n hoogtepunt heen was. 

Tot zover onze leraar Nederlands. Hoe is samensteller Laurens Vancrevel er dan toch in geslaagd om een bloemlezing van bijna 250 pagina’s surrealistische poëzie te maken? In een inleidende tekst meent Vancrevel: ‘Op het ingepolderde gebied van de Nederlandse poëzie met zijn vele retorici en zijn spaarzame kosmopolieten, heeft het surrealisme toch een aantal sporen getrokken, al zijn die in de officiële literatuurgeschiedenis nauwelijks opgemerkt’. En op deze sporen heeft hij zich gericht, zodat in zijn bundeling meer dan dertig dichters terecht zijn gekomen ‘van wie bekend was (of van wie op grond van bepaalde mededelingen mocht worden aangenomen), dat zij zich openlijk tot het surrealisme aangetrokken voelden, of dat een wezenlijk deel van hun werk naar hun eigen mening door het surrealisme werd geïnspireerd’. 

Het is een mooi bont gezelschap, deze ‘dichters die zich voor kortere of langere tijd hebben laten inspireren door surrealistische ideeën en die daar een eigen vorm aan hebben weten te geven’. Er zitten grote namen tussen, zoals Buddingh’, Claus, Elburg, Kouwenaar en Van Ostaijen, naast dichters waar ik althans nog nooit van had gehoord, waaronder Jozef Bierkens, Oda Blinder en Axel van Caspel. In omvang lopen de bijdragen sterk uiteen: de ene dichter krijgt drie pagina’s, terwijl de ander er meer dan twintig vult. Aan het einde van de bundel zijn acht pagina’s ingeruimd voor de ‘cadavres exquis’: gedichten die zijn geschreven door meerdere dichters, die om beurten regels toevoegen, zonder elkaars bijdrage vooraf te lezen. Deze cadavres vormen een aardige toevoeging, als resultaten van een typisch surrealistisch procédé, al is het in het algemeen waarschijnlijk leuker om ze te maken, dan om ze te lezen.

Zowel de charme als het bezwaar van de cadavres exquis is in enige mate representatief voor de gehele bundel. Met een interessant uitgangspunt en een grote hoeveelheid gedichten die eerder slechts in bibliofiele uitgaven of tijdschriften te vinden waren, is de Spiegel vooral een bijzónder boek, een boek ‘waarvan het goed is dat het er is’, een boek met een grote documentaire waarde. Het is echter geen boek vol prachtwerk, geen boek met verbazingwekkend sterke poëzie, dat je telkens weer uit de kast haalt om er schatten uit op te duiken.

Spiegel van de surrealistische poëzie in het Nederlands
Samengesteld door Laurens Vancrevel
Meulenhoff, 1989
ISBN 90 290 3583 8.

Thomas Möhlmann

 

Recent

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

16 september 2017

Een week lang feest

15 september 2017

Een wonderlijk leerdicht 

14 september 2017

Daar waar granaten fluiten

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer