5 februari 2007

Glenn Willemsen

Dagen van gejuich en gejubel

Is 1 juli, de dag van de afschaffing van de slavernij in de voormalige koloniale gebiedsdelen, een dag om te vieren? Voor Surinamers lijkt het vanzelfsprekend. Sinds het begin van de jaren zestig van de 20ste eeuw is de afschaffing van de slavernij een nationale feestdag die over het algemeen uitbundig wordt gevierd. In zijn boek, Dagen van gejuich en gejubel, laat Glenn Willemsen zien dat dit niet zo vanzelfsprekend is. In andere delen van het Nederlandse koninkrijk is het geen feestdag en is het een bijna vergeten stukje geschiedenis.

In Nederland wist men tot voor kort nauwelijks iets van dit, in de ogen van Willemsen, doorslaggevend moment in de geschiedenis van al deze gebieden. Op de Nederlandse Antillen heeft men andere momenten om het slavernijverleden te herdenken. Zo is voor Curaçao 17 augustus een belangrijke nationale dag omdat het eiland de poging tot opstand van Tula herdenkt. Willemsen gaat er niet op in maar het is natuurlijk een buitengewoon ironisch gegeven dat op Curaçao, waar er niet veel opstanden waren en er nauwelijks ruimte was voor weggelopen slaven om zich schuil te houden, dit wordt herdacht. Suriname, daarentegen, waar weggelopen slaven de koloniale autoriteiten dwongen om vredesverdragen te sluiten, heroïsche verzetsdaden pleegden en in staat waren hun eigen gemeenschappen te creëren, wijst uitgerekend de dag aan die door de machthebbers uitgezocht was om slaven vrij te verklaren.

NiNsee reeks
De publicatie van Willemsen, die directeur is van NiNsee (Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis), is de eerste van een serie opgezet door uitgeverij Amrit van de bekende publicist Sandew Hira en dit instituut. De bedoeling is om boeken over de geschiedenis van vooral het slavernijverleden uit te geven en verder publicaties die de actualiteit van dit verleden nagaan; bijvoorbeeld de psychologische doorwerking van deze eeuwen van onderdrukking. Dit boek zet direct de toon van deze reeks. De auteur gebruikt primaire bronnen zoals de discussies in de Staten-Generaal van Nederland, kranten die toen werden gepubliceerd en officiële berichten in de gouvernementsbladen in Suriname en de Nederlandse Antillen. Een deel van deze documenten zijn in bijlagen opgenomen. Het is dus zowel analyse als bronnenpublicatie wat het handig maakt voor leerkrachten die studenten willen laten zien wat er toen is verschenen en de taal waarin het is verwoord. Dit laatste is van belang want overal werd benadrukt dat het ‘Zijne Majesteit heeft behaagd’ om de slavernij af te schaffen. Het heeft dan ook heel lang geduurd voordat de nakomelingen van de slaven doorhadden dat koning Willem III eigenlijk nauwelijks wat te maken had met dit moment. Integendeel dit land was één van de laatste om dit instituut in het Caraïbisch Gebied af te schaffen. De waarde van deze publicatie zit hem dan ook in het feit dat reacties in het hele Nederlandse koninkrijk vergeleken worden en het beeld zeker bij Surinamers doorbroken wordt dat de manier hoe hier 1 juli wordt gevierd, wel hetzelfde zal zijn op de Antillen.

De actualiteit
Willemsen begint met de actualiteit. Hoe komt het dat er nu aandacht wordt besteed aan het slavernijverleden in Nederland? Surinamers die naar het ‘moederland’ zijn gegaan in de jaren zestig en zeventig, bleven de traditie hoog houden om 1 juli te vieren. Bovendien maakten steeds grotere groepen donkere landgenoten heel zichtbaar voor de Nederlanders dat er een Afrikaans verleden bestond. Verschillende stichtingen zorgden ervoor dat de datum steeds meer op de agenda werd geplaatst. Verzoeken om een monument op te richten ter nagedachtenis van dit verleden kwamen op de politieke agenda in Nederland. Willemsen zegt het niet, maar het zal zeker hebben geholpen dat politici doorhadden dat Surinamers niet alleen belangstelling hebben voor politiek Den Haag, maar ook actief gebruik maken van hun stemrecht.

Dan was er nog de grote wereldconferentie van 2001 in Durban, Zuid-Afrika, waar het antiracisme centraal stond. Daar heeft de toenmalige minister voor Integratie Rogier van Boxtel zijn ‘deep remorse’, zoals het heet, getoond voor het Nederlandse slavernijverleden. Later is hij nog naar Suriname gekomen en heeft ook hier belangstelling getoond voor de restanten van dit verleden onder andere in het Nationaal Archief en met een reis naar enkele marrondorpen. Kortom, dit stukje geschiedenis werd steeds zichtbaarder voor de gewone Nederlander. De regering was ook nog bereid om geld te stoppen in een monument om deze periode te herdenken en een instituut op te zetten dat door middel van onderzoek, publicaties, exposities en andere manifestaties de slavernij zichtbaar moest maken.

De historische context
Willemsen staat uitgebreid stil bij het historische debat in 19de eeuws Nederland. Dit is niet geheel nieuw terrein. In zijn dissertatie van 1979, De Nederlandse regering en de afschaffing van de Surinaamse slavernij (1833-1863), heeft de onlangs overleden historicus Jozef Siwpersad ook al een analyse gemaakt van deze periode. Hier en daar legt Willemsen wel andere accenten. Zo legt hij de nadruk op het feit dat het begrip vrijheid door slaven op een andere manier werd geïnterpreteerd. Hij maakt ook veelvuldig uitstapjes naar andere delen van het Caraïbsch Gebied om aan te geven hoe er werd gereageerd op gebeurtenissen en in tegenstelling tot Siwpersad richt hij zich niet alleen op Suriname maar kijkt ook naar de Antillen en Nederland zelf.

Een van de conclusies van het boek, die al vaker naar voren is gebracht, luidt dat in het moederland de slavernij nauwelijks tot publiek debat heeft geleid. Nederland kende geen Wilberforce die de aandacht bleef vestigen op mensonterende aspecten van slavernij. Ook kranten van die tijd besteedden hier weinig aandacht aan. Toch werd het land gedwongen de gedachten te laten gaan over de slavernij. Steeds meer omliggende (ei)landen maakten hun slaven tot vrije burgers en op een gegeven moment zou het er ook van moeten komen in de West-Indische koloniën.
Een mooi voorbeeld van een rationeel besluit binnen het koninkrijk vindt plaats op Sint-Maarten dat toen al deels Nederlands en deels Frans was. Frankrijk schafte de slavernij af in mei 1848. Blanke meesters op het Nederlandse deel van St.-Maarten trachtten het nog geheim te houden maar uiteraard lukte dat niet. Dus enkele maanden later, in juli 1848, deden zij hetzelfde. Vandaar dat in St.-Maarten dit jaartal wordt aangegeven als het jaar van de afschaffing van de slavernij en niet het formele moment in 1863. Slaven hadden daar hun eigen vrijheid afgedwongen. Zo zijn er meerdere voorbeelden te noemen die voor veel lezers van dit boek verrassend zullen zijn.

De dag van 1 juli 1863
Hoe was het op de dag van de afschaffing zelf? Willemsen citeert verschillende bronnen en tracht op zo een manier een beeld te geven van wat er op deze bijzondere dag plaatsvond. Het blijft natuurlijk jammer dat er weinig of geen schriftelijke bronnen van de voormalige slaven zelf bekend zijn. Vooral de christelijke kerken zijn door het koloniaal gezag ingezet om alles rustig te houden. De nadruk werd gelegd op het worden van goede burgers van de maatschappij die moesten voldoen aan het beeld van een hardwerkend gezin waar vader en moeder wettig getrouwd waren en een godvrezend leven leidden. Tegelijkertijd geeft Willemsen aan dat heel wat slaven na de officiële viering in de kerk op 1 juli 1863 op eigen wijze hun vrijheid hebben gevierd. In heel wat gevallen bezochten zij een wintiprei. Van dit gegeven maakt Willemsen helaas te weinig gebruik om wat meer te weten te komen van de gevoelens van de voormalige slaven.

De historische dimensies van winti zijn nog weinig onderzocht, maar zouden waarschijnlijk een waardevolle schat aan gegevens opleveren. Als gekeken wordt naar de vele studies over vodun (of voodoo) op Haïti en de rol die het gespeeld heeft bij de slavenopstand die uiteindelijk de geboorte van de eerste zwarte republiek in de Amerika’s inluidde, dan blijkt er genoeg reden te zijn om winti beter te bestuderen om de gemoedstoestand van toen beter te begrijpen. Heel kort geeft hij wel aan dat je met odo’s een heel eind kan komen om meer te weten over hoe van binnenuit over dit instituut werd gedacht. Hiermee geeft hij wel een aanzet maar er zou veel meer multi-disciplinair onderzoek moeten worden gedaan om met gebruik van deze bronnen het nodige te achterhalen.

Op de Antillen verschilde de viering van eiland tot eiland. Dit had te maken met de omstandigheden die niet overal hetzelfde waren. Aruba had geen plantages en nauwelijks slaven. Op eilanden als Bonaire, St.-Eustatius en St.-Maarten was zoutwinning de belangrijkste economische activiteit. De slaven die daar werkten waren merendeels van het gouvernment. Slavenhouders op de zes eilanden hadden totaal geen vrees dat zij geen gebruik meer konden maken van de diensten van hun ‘bezit’ na 1863. Er gebeurde economisch gezien te weinig en veel vrije lapjes grond waren er niet. Ook dit is een fundamenteel verschil met Suriname waar er meer mogelijkheden en ruimte waren. Een ander belangrijk verschil was het ontbreken van het Staatstoezicht op de Antillen. Dit was om bovenstaande redenen gewoon niet nodig.

Tenslotte behandelt Willemsen de verschillende keuzen die de eilanden hebben gemaakt om het slavernijverleden te herdenken. Het voorbeeld van Tula op Curaçao is al gegeven. Op Aruba leeft de dag nauwelijks. Voor hen is 18 maart 1976 van belang toen ze hun status aparte kregen. Zo geeft het boek aan dat dagen van gejuich en gejubel verschillend worden beleefd binnen eenzelfde koninkrijk maar waar de omstandigheden niet in elk gebied hetzelfde waren. Daarin zit ook het belang van deze publicatie.

lenn Willemsen, Dagen van gejuich en gejubel. Viering en herdenking van de afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen, NiNsee-reeks, 327 pag., Den Haag/Amsterdam, Amrit/NiNsee, 2006. ISBN 90 74897 460

Jerome Egger

Jerome Egger is docent geschiedenis op het Instituut voor de Opleiding van Leraren (I.O.L.) te Suriname en op de Anton de Kom Universiteit te Suriname. Hij publiceert regelmatig in tijdschriften en in het dagblad de Ware Tijd over Surinaamse en Caribische geschiedenis en over Caribische literatuur. Tevens heeft hij meegwerkt aan enkele boeken en publicaties.

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

12 oktober 2017

Een antikrimi

11 oktober 2017

De stijl tekent de man

10 oktober 2017

Eindeloos gepieker

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 oktober 2007

Klein boek zonder enige allure
Door Frans

Waarom gaf de commissie – Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek – aan Geert Mak de opdracht om het boekenweekgeschenk 2007 te schrijven? Vermoedelijk vanwege zijn succes met de dikke pil ‘In Europa’. Zou Mak daarom als onderwerp voor zijn boek de Galatabrug, die Europa met Klein-Azië verbindt, gekozen hebben?

Lees meer