1 mei 2006

In memoriam Tip Marugg (1923 – 2006)

Door Coen Peppelenbos

Het eerst hoorde ik van Tip Marugg toen hij in 1988 op de shortlist stond voor de AKO-prijs met De morgen loeit weer aan. Een fascinerend boek waarin doods- en levensdrift strijden om de voorrang. De mooiste scène in het boek komt op het einde, waarin hij voor dag en dauw bij een berg gaat kijken naar grote zwermen vogels. ‘Maar drie of vier van de vogels remmen hun pijlsnelle glijvlucht niet af en schieten niet omhoog: zij blijven regelrecht aansuizen op de rotswand en slaan te pletter. Een schitterend boek met een verteller die af en toe een lege whiskyfles in de tuin gooit en zijn domein bewaakt met grote honden.
In mijn herinnering is altijd blijven hangen dat Brigitte Raskin (Wie? Wie?) destijds de AKO-prijs won, maar het was Geerten Meijsing. Wie op www.literaireprijzen.nl kijkt, kan constateren dat Tip Marugg nooit een grote prijs heeft gewonnen.
Hoewel hij in de schamele interviews die hij gaf altijd ontkende dat hij zich gedroeg als een kluizenaar, heeft zijn isolement er mede voor gezorgd dat hij een buitenbeentje in de letteren bleef. Anders dan Antilliaanse schrijvers als Boeli van Leeuwen en Frank Martinus Arion, die wel de publiciteit zochten, wachtte de cameraschuwe Marugg tot een journalist weer zijn huis in het gehucht Pannekoek kwam bezoeken.
Tip Marugg (eigenlijk Silvio Alberto, maar thuis werd hij Tip genoemd) is niet bepaald een veelschrijver geweest. Hij publiceerde een dichtbundel en drie romans. Tussen die drie romans Weekendpelgrimage (1958), De straten van Tepalka (1967) en De morgen loeit weer aan (1988) zat zoveel tijd dat hij telkens weer vergeten was door zijn lezerspubliek. Toch werd hij door critici en medeschrijvers gezien als een van de belangrijkste Antilliaanse schrijvers. Dus trok er zo af en toe een journalist naar zijn huis. In NRC Handelsblad van 28 april 2006 schrijft Aart G. Broek over zo’n bezoek. Hij neemt een overlevingspakket mee voor de schrijver, maar geen drank. ‘Alcoholische drank heb ik nog nooit aangesleept; die is in elke toko op het eiland te krijgen, dus daar kan hij zelf wel aan komen.’ H.M. van den Brink stipt het al aan als hij in 1985 samen met Boeli van Leeuwen probeert om Marugg nieuw werk te ontfutselen. De schrijver heeft net een doorgebeten pees opgelopen door een beet van een hond. ‘Hij maakte duidelijk dat hij er niet veel voor voelde een operatie te riskeren. Daarna schonk hij bier voor mij in en frisdrank voor zijn andere bezoeker (…). Zelf nam hij het drankje ter hand dat hij al voor onze komst had ingeschonken. “Tip wat zit er toch in dat glas man” vroeg Boeli van Leeuwen een paar keer plagerig. De aangesprokene glimlachte slechts.’

Cees Zoon weet in 1988 ook tot de schrijver door te dringen. ‘Dank zij de bemiddeling van zijn neef is hij bereid mij te ontvangen. “Je drinkt toch wel, hè?”, had mijn intermediair vooraf bezorgd geïnformeerd. En pas tijdens een derde drinkgelag praat de schrijver voluit met de Volkskrantjournalist. Nog later nemen de bezoekers al zelf de drank mee. Rudi Wester spreekt de auteur voor Vrij Nederland in 2001 en krijgt van Arion een goede tip mee: ‘Je moet wel een goede fles whisky meenemen.’ En Alle Lansu schrijft in hetzelfde jaar voor Het Parool een stuk waarin hij terugkijkt op een bezoek dat hij in 1989 aan de schrijver bracht ‘gewapend met een fles ‘whisky’. In 2001 is Marugg al bijna blind, wordt er voor hem gezorgd en zijn de honden de deur uit.

Het probleem met al die verhalen is dat er een mythevorming rond de schrijver ontstaat (de drinkende kluizenaar) en dat niemand meer kijkt naar zijn boeken. Dat zou jammer zijn, want Marugg is een van de grootste stilisten van ons taalgebied. Zijn boeken moeten het niet hebben van een ingewikkeld plot of een boeiende verhaallijn of zoals Rudi Wester zijn oeuvre bondig samenvat: ‘In Weekendpelgrimage is de ik-figuur dronken met zijn auto in de berm geraakt en overpeinst in één grote monologue intérieur zijn leven. De ik-verteller in De straten van Tepalka ligt te sterven in een ziekenhuis en herleeft in fantasieën en nachtmerries zijn ervaringen, waarvan het de lezer niet duidelijk is of deze nu echt gebeurd zijn of niet. En in De morgen loeit weer aan zit de verteller, een wat oudere man, op de stoep van zijn huis te drinken en beschouwt zijn leven en de natuur om hem heen.’ Met zulke verhalen moet je wel een goed stilist zijn.
Daarmee overtuigt Marugg niet elke criticus. K.F. (Kees Fens waarschijnlijk) schrijft (in 1967 waarschijnlijk) ‘Het speelt ver weg en het blijft ver weg.’ Er zijn ook critici met een iets wijdere blik, zoals Cyrille Offermans in 1988 in De Groene Amsterdammer: ‘Het slothoofdstuk bevat wat dat betreft een zeldzame klimax; de hallucinatoire, apocalytische beelden waarin Marugg hier het aanloeien van de morgen beschrijft is adembenemend – het is een van de aangrijpendste hoofdstukken uit de Nederlandse literatuur te noemen.’ De schrijver ervan is vorige week overleden. Zorg dat je zijn bescheiden oeuvre leest.

 

 

Recent

16 oktober 2017

Nooit meer los van Indië

13 oktober 2017

Leven zonder moeder

12 oktober 2017

Een antikrimi

Literair Nederland - 10 jaar geleden

22 oktober 2007

Klein boek zonder enige allure
Door Frans

Waarom gaf de commissie – Stichting Collectieve Propaganda van het Nederlandse Boek – aan Geert Mak de opdracht om het boekenweekgeschenk 2007 te schrijven? Vermoedelijk vanwege zijn succes met de dikke pil ‘In Europa’. Zou Mak daarom als onderwerp voor zijn boek de Galatabrug, die Europa met Klein-Azië verbindt, gekozen hebben?

Lees meer