25 april 2005

A. Marja

Dichter tegen wil en dank

In de laatste editie van de dikke Komrij is hij vertegenwoordigd met twee gedichten en zo wordt hij nog enigszins aan de vergetelheid onttrokken: A. Marja. Zijn bundels zijn alleen nog maar te vinden in de stoffige uithoeken van antiquariaten en alleen zijn eerste en enige roman Snippers op de rivier heeft nog wel eens een herdrukje gekregen.
Arend Theodoor Mooij wordt op 8 maart 1917 geboren in Oude Leye (Friesland). Zijn vader was predikant bij de Vrije Evangelische Gemeente, net als diens vader. In zijn jeugd is Marja vaak ziek en daarom leert zijn moeder hem als vroeg lezen en schrijven. Als hij veertien is, overlijdt zijn moeder aan kanker. Dat moet een aangrijpende ervaring zijn geweest, want hij publiceert later vele verzen over een (dode) moederfiguur.
Op de HBS gebruikt Marja voor het eerst zijn pseudoniem, dan nog Arthjo Marja. Zijn eerste gedicht ‘Mijn volk’ wordt gepubliceerd in Volk en Vaderland, een NSB-blad en kent de brallerige openingszin: ‘Waar is toch in mijn land die trotsche hoop gebleven’. Gelukkig herstelt hij die faux pas door, ver voor de Tweede Wereldoorlog, laatdunkend over het nazisme te schrijven. (Toen Marja na de oorlog enkele letterkundigen had aangevallen op hun rol in de oorlog, werd dit ‘verleden’ van Marja weer opgerakeld door Hans van Straten en door W.F. Hermans.
Na de HBS gaat Marja Nederlands studeren, maar na een jaar houdt hij er al gedesillusioneerd mee op, dankzij het totale gebrek aan belangstelling voor moderne letterkunde aan de faculteit. Hij wordt journalist.
In de oorlog helpt hij bij het opzetten van een illegale reeks, waarin werk voorkomt van onder meer Gerrit Achterberg, Simon Vestdijk en Koos Schuur. Hij is niet echt betrokken bij het verzet. Een zeer ernstige darmontsteking zorgt ervoor dat hij ook niet door de Duitsers ingezet kan worden.
Marja verdeelde de dichters in zijn essayistische en kritische werk altijd in twee groepen: de anekdotici en de lyrici, waarbij hij zichzelf tot de eerste groep schaarde.
Als dichter is Marja bijna altijd te laat geweest. Hij sloot zich pas aan bij de ideeën rond het tijdschrift Forum op het moment dat er al een andere wind in poëzieland waaide. Hij moest niets hebben van de Vijftigers. In 1958 schreef hij: ‘het is in poëticis altijd boeiender nieuwe wijn in oude lederen zakken te doen, met kans op barsten, dan deze wijn, zonder zakken bij de hand te hebben, zo maar uit te gieten!’ (Tussen de gemaskerden) Pas in zijn laatste bundel Van de wieg tot het graf komt hij terug op dat oordeel. In die bundel staan gedichten zonder rijm, zonder vaste strofenbouw en met minimale interpunctie.
Als het literaire publiek hem ergens van kent, dan zijn het zijn practical jokes. Wim Hazeu schreef in de jaren tachtig een bijlage van Vrij Nederland vol over deze poëet, wat later een boekje werd en dat heet veelzeggend: A. Marja, dichter en practical joker. Hoe hij Ab Visser eens een lange dagreis naar Zeeland liet maken voor een lezing, die toen hij daar aan kwam bemerkte dat er niemand was die op hem wachtte. Hoe hij de fanfare liet aanrukken om uitzendingen uit de studio van de jonge regionale omroep te overstemmen. Hoe hij taxi’s voor jan en alleman bestelde. De door hem bewonderde Achterberg zei al: ‘Je moet veel van Marja houden om van hem te kunnen houden.’
Op 10 januari 1964 overleed hij: als dichter niet echt geliefd, als criticus niet echt gevreesd.

Ik riep mijn moeder, maar zij was
al lang gestorven en begraven,
en buiten zag ik kind’ren draven
door het besneeuwde voorjaarsgras,

en ik wist, dat er nooit een kind
naar haar zou heten, maar ik zag
mij schrijvend aan het boek, waarin
haar wezen zou zijn saamgebracht.

Het is vergeefs: wie dag en nacht
vergeefs met woorden heeft gewacht
tot een daarvan weer zingen zou,

beschrijft zijn moeder niet, maar lacht
wat schamper om de vroeg’re rouw:
zij blijkt hem vreemd, een dode vrouw

· Stalen op zicht (1937)
· Eenvoudig schilderij (1939)
· Omneveld havenlicht (1939)
· Snippers op de rivier (1941) roman
· Zon en sneeuw (1942)
· Waar ik ook ga (1945)
· De keuze (1947)
· Van mens tot mens. Gedichten 1935-1946 (1948)
· Binnendijks/Buitendijks (1949) essays
· Confidentieel (1952)
· Traject (1955)
· Voor de bijl (1955) bloemlezing polemische geschriften
· Man van dag en nacht (1956)
· Over de kling (1956) bloemlezing polemische geschriften
· Reislust (1957)
· Zich lekker voelen (1957)
· Tussen de gemaskerden (1958) proza
· Wat ik speelde (1959)
· Nochtans een christen (1962)
· Van de wieg tot het graf (1963)
· Tussen Beerta en Parijs ? Nagelaten teksten (1986)

Links:
http://www.chroom.net/marja/marja2002kv.htm
http://www.schrijversinfo.nl/marjaa.html

Coen Peppelenbos

Recent

21 november 2017

Reizen in een binnenwereld

20 november 2017

Het leven ontwijken

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 november 2007

Geloven in een god die niet bestaat
Door Bernadet

Op de titel De Kunst van het Nietsdoen (2004) van Theo Fischer reageerden veel mensen met: ‘Oh, dat zou ik ook wel willen, een tijdje niets doen.’ Daar ging het boek echter niet over. Het ging over Taoïsme; het niet steeds willen ingrijpen in de gebeurtenissen van je leven en de dingen naar je hand te willen zetten of bezweren.

Lees meer