21 februari 2005

Leonard Nolens

 Maar deze stem is van nature kapotte gitaar, sublieme wees,
            ambteloze hoer.
In het brutaal bewind van bladerval en retoriek maakt zij de
eenzaamheid publiek en gangbaar.
Zij is de puberale coloratuur, de achterlijke wijsheid van het hart,
           verwant aan de vacante ziel van een zwakzinnige.
Van die stem ben ik de zieke prothese.
En de woorden in die stem ?
Dat woord gedijt niet in de koppen van kranten en knappe
            professoren, maar in de korte kreet van kraamkamers en onder
            de blauwe voeten van Eskimo’s die hun adem als lange jassen
            over de aarde gooien.
Het woord gedijt in de zaadflank van weerbarstige moedelozen.
Bleek en pafferig is het woord dat wegdrijft in trams en zijwegen.
Nergens de pezige recitatieven van de hoop,
Nergens de schreeuw die de verdrietige vangstangen van de
verveling dynamiteert,
Nergens een zachte zachte tong die beenderen verbrijzelt.
Belachelijk smal is de spannende ring der lippen waarmee geen
            levensadem wordt geblazoeneerd
Waaruit geen bloed gebeten wordt om de stem te bevruchten.
Niet de psychiaters die de waanzin beheren
En niet de ranzige predikanten van syndicaten en Radio Vaticano,
Maar enkelingen alléén hangen hun keel als een fuik in de wind en
            weten hun lichaam omgedanst in breed musicerende
            bevolkingslagen
Klef en flauw is het fugato van geliefden die hun geslacht opsluiten
            in een vogelkooi van zweet.
Hun liefde staat genoteerd in beddelakens en kindergeld.
                                                                        (uit: ‘Zachte tong’ in Incantatie, 1977)

Al in Incantatie, een bundel uit 1977, werpt Leonard Nolens (Bree, 11 april 1947) de verschillende, steeds in elkaar hakende thematische lijnen uit die zich in zijn hele dichterschap blijven manifesteren: de complexe verhouding tussen individu en wereld, tussen poëzie en leven, de spanning tussen mens en dichter, tussen ik en jij, de drang van de bewuste eenzaat naar communicatie, naar de ander, de liefde. Die complexiteit uit zich in een nu eens pessimistische, dan weer eerder melancholische blik van de mens Leonard Nolens op de buitenwereld, ook al aanwezig in Nolens’ derde bundel, Twee vormen van zwijgen (1975). Hij leeft ‘in het opgefokte brein van deze eeuw, als een verdwaalde lob, een denkfout, een bedrieglijke bewoording van het eeuwig nu’. Nolens maakt deel uit van die eeuw, die wereld, maar kiest, in tegenstelling tot anderen, als dichter, voor de weg van de taal die in poëzie tot zelfrealisatie kan leiden. Terwijl de buitenwereld zich in het dagelijkse leven zo exclusief met één bepaalde, ingeslagen weg bezighoudt, wil Nolens in zijn gedichten verschillende identiteiten scheppen, die evenveel wegen representeren en die over elkaar gelegd misschien een kern onthullen, een deel van een verworven identiteit.

Voor Twee vormen van zwijgen schreef Leonard Nolens nog de bundels Orpheushanden (1969) en De muzeale minnaar (1973). Beide bundels werden gepubliceerd tijdens zijn redacteurschap bij het experimentele tijdschrift Labris, waartoe onder anderen Marcel van Maele, Lucienne Stassaert en Frans Denissen behoorden. Nolens kon zich echter nooit volledig identificeren met het Labris-programma en liet ook zijn gedichten uit die periode niet mee opnemen in zijn verzamelbundels Hart tegen hart en Laat alle deuren op een kier.

De brede zinnen die Nolens in zijn eerste bundels neerschrijft en die een volle zwaarmoedigheid dragen, neigen meer naar proza ? volgens Nolens zelf naar een vorm die vanuit een soort preliterair besef wordt geschapen, een vorm die nog geen rekening moet houden met de scheiding tussen poëzie, filosofie, religieuze teksten of geschiedschrijving. Die wijde vormgeving gaat Nolens uiteindelijk ombuigen naar een wat geconcentreerdere taal, een nauwgezette constructie die de talloze paradoxen in zijn werk subtiel kan verwoorden. Zijn gedichten blijven grofweg dezelfde thematische lijnen beschrijven, maar dijen tegelijkertijd uit naar een breder kader. De melancholie en de furor poeticus van de dichter gaan steeds meer vergezeld van een zekere inhoudelijke lichtheid en redelijkheid. Het absolute, bezwerende maakt plaats voor een soberder, parlando-achtige stijl. Naast de mens en de dichter Nolens, en niet noodzakelijk los daarvan, treden in Nolens’ poëzie vaak vrouwen (niet zelden zijn moeder) op de voorgrond. In zijn liefdespoëzie, zeker een grote reden voor zijn succes als dichter, wordt de relatie met die vrouwen niet onproblematisch weergegeven. Nolens’ spel met de voornaamwoorden, zijn verschillende identiteiten, vormen van denken en manieren van leven, brengen snel andere componenten binnen in de getekende verhoudingen. Andere vaak voorkomende thema’s zijn de jeugd en het ouder worden, familie, het leven en de dood.

Nolens schrijft, vanuit een grote romantische traditie over de mens, de dichter, het leven en de literatuur, en vooral: over zichzelf. Zijn gedichten hebben voor de een een sterk bezwerend karakter, worden een reeks rituele woorden die het ware, eenzame dichterschap en het echte leven oproepen, beelden van de furieuze pogingen van een man, een dichter om zichzelf zin te geven in een al te banaal leven; voor de ander vormen ze een kwelling, om steeds weer naar de verzuchtingen van die ene persoon te moeten luisteren, om steeds in die compromisloze zwaarmoedigheid te verkeren waarin geen greintje ironie te bespeuren valt. Zijn poëzie wordt zeker niet eenzijdig enthousiast onthaald. Zijn uithalen naar de academische dichters die gedichten zo lastig en theoretisch maken, stoten op eenzelfde verzet tegenover Nolens’ al te autobiografische navelstaren. Feit is dat Leonard Nolens zich in de loop der jaren heeft ontwikkeld tot een van de belangrijkste Vlaamse dichters. Een dichter, bovendien, die een grote groep lezers heeft weten te overtuigen van de kracht van poëzie.

Leonard Nolens ontving tal van literaire prijzen. De muzeale minnaar werd bekroond met de Prijs voor het beste literaire debuut in 1974, Twee vormen van zwijgen werd bekroond met de Arkprijs van het Vrije Woord en de Poëzieprijs van de provincie Antwerpen, voor Alle tijd van de wereld. Een poëtica ontving Nolens de driejaarlijkse Hugues C. Pernathprijs en de Poëzieprijs van de provincie Limburg, voor Vertigo werd hem de tweejaarlijkse poëzieprijs van De Vlaamse Gids toegekend… Voor Liefdes verklaringen, wellicht zijn populairste bundel tot nu toe, ontving Nolens de Jan Campertprijs 1991 en de driejaarlijkse Staatsprijs 1992. In 1997 ontving hij de Constantijn Huygensprijs voor zijn gehele werk.

Naast zijn vele bundels schreef hij nog vier dagboeken, die in sterke mate dwarsverbanden vertonen met zijn gedichten. Zijn poëzie werd vertaald in het Frans, Duits, Italiaans en Pools. Een voorlopige biografie die enkel uit zijn naam en zijn werken zou mogen bestaan, werd in 2004 gepubliceerd onder de titel Laat alle deuren op een kier.

Bibliografie
Orpheushanden (gedichten, 1969)
De muzeale minnaar (gedichten, 1973)
Twee vormen van zwijgen (gedichten, 1975)
Incantatie (gedichten, 1977)
Alle tijd van de wereld. Een poëtica (gedichten, 1979)
Hommage (gedichten, 1981)
Vertigo (gedichten, 1983)
De gedroomde figuur (gedichten, 1986)
Geboortebewijs (gedichten, 1988)
Stukken van mensen. Dagboek 1979-1982 (1989)
Liefdes verklaringen (gedichten, 1990)
Hart tegen hart. Gedichten 1975-1990 (1991)
Tweedracht (gedichten, 1992)
Blijvend vertrek. Dagboek 1983-1989 (1993)
Honing en as (gedichten, 1994)
De vrek van Missenburg. Dagboek 1990-1993 (1995)
En verdwijn met mate (gedichten, 1996)
De liefdesgedichten van Leonard Nolens (1997)
Een lastig portret. Dagboek 1994-1996 (1998)
Hart tegen hart. Gedichten 1975-1996 (1998)
Voorbijganger (gedichten, 1999)
Manieren van leven (gedichten, 2001)
Derwisj (gedichten, 2003)
Laat alle deuren op een kier. Verzamelde gedichten (2004)

Bronnen
dbnl.org
poetry.nl
vpro.nl
ergopers.be

Kurt Snoekx

Recent

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

7 augustus 2017

Een kanjer

4 augustus 2017

Wondranden

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer