21 maart 2005

Willem Elsschot

Willem Elsschot (Alfons de Ridder) werd geboren te Antwerpen op 7 mei 1882 als zoon van een bakker aan de Keyserlei. Hij vernoemde zichzelf toen hij ging schrijven naar de toen nog woeste landstreek gelegen tussen Herselt en Veerle, bekend onder de benaming ‘Elsschot’.

Zijn moeder kwam uit de Antwerpse Kempen en was een gevoelige vrouw, een eigenschap die de zoon ongetwijfeld heeft overgeërfd, alhoewel zijn latere carrière in de zakenwereld doet vermoeden dat hij ook veel had meegekregen van de handelsgeest van zijn vader. Elsschot studeerde te Antwerpen aan het atheneum, maar voltooide zijn middelbare school niet. Hij verliet het atheneum en nam allerhande baantjes aan om in zijn levensonderhoud te voorzien. Reeds in zijn atheneumtijd vatte hij een liefde op voor de literatuur en de Vlaamse Beweging. Met enkele vrienden richtte hij een letterkundige kring op. In 1900 maakte hij samen met o.a. Lode Baekelmans en Herman Teirlinck deel uit van de redactie van het tijdschrift Alvoorder. In dit tijdschrift debuteerde Elsschot met zijn eerste gedichten die echter nooit (ook later niet toen hij bekend was) gebundeld werden.

Op aandringen  van zijn broer ging hij in 1901 opnieuw studeren aan de Antwerpse Handelshogeschool. Drie jaar later was hij licentiaat in de handels- en consulaire wetenschappen. Hij nam actief deel aan het studentenleven en componeerde verschillende studentenliederen. Na zijn studies werkte hij eerst op kantoren te Parijs, Rotterdam en Brussel, tot hij zich in 1914 in Antwerpen vestigde. Ondertussen was hij gehuwd en vader geworden van vier kinderen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog was hij secretaris bij het Provinciaal Oorlogsbureau van het Nationaal Comité voor Hulp en Voeding. Na de oorlog begon hij een reclamebureau, dat hij leidde tot aan zijn dood.

In Parijs en Rotterdam gingn hij verder met het schrijven van gedichten die later werden gebundeld tot Verzen van vroeger. Zijn eerste roman verschijnt in 1913: Villa des Roses, gevolgd door Een ontgoocheling in 1921 en De Verlossing. Het zijn semi-naturalistische werken. In zijn latere werken Lijmen (1924), Kaas (1933), Tsjip (1934), Het been (1938), De leeuwentemmer (1940), Het tankschip (1942), Het dwaallicht (1946), ontwikkelt de schrijver meestal een ik-figuur, een soort alter ego, waarvan hij de lotgevallen met een niet aflatend cynisme, en soms op absurde wijze beschrijft.

Willem Elsschot overleed te Antwerpen op 31 mei 1960. Zijn vrouw overleed één dag later. Zij werden begraven in hetzelfde graf dat zich bevindt op het kerkhof Schoonselhof te Antwerpen (zie afbeelding). De schrijver kreeg postuum de Staatsprijs voor literatuur.

Het oeuvre van Elsschot, alhoewel niet omvangrijk, is van een ongekende waarde in de Nederlandstalige literatuur. Zijn stijl is uniek en tragi-komisch. Elke zin veroorzaakt een grimas op het gezicht, zo loepzuiver is het geschreven. Athenaeum-Polak en Van Gennep is twee jaar geleden begonnen met de originele heruitgave van Elsschots complete werk. Prachtige boekjes, grandioos verzorgd. Kaas, Tsjip en De Leeuwentemmer zijn vorige week verschenen.

Voor meer informatie, bezoek de website van het Willem Elsschot genootschap: http://www.weg.be
 

Bibliografie : 

* Villa des roses (1913)
* Een ontgoocheling (1921)
* De verlossing (1921)
* Lijmen (1924)
* Kaas (1933)
* Tsjip (1934)
* Verzen van vroeger (1934, gedichten)
* Pensioen (1937)
* Het been (1938)
* De leeuwentemmer (1940)
* Het tankschip (1942)
* Het dwaallicht (1946)
* Verzameld werk (1957)
* Vierspan (1962)
* De wijze gaat liefst onopgemerkt voorbij : citaten en ongebundelde teksten (1975)
* Zwijgen kan niet verbeterd worden : ongebundelde teksten (1979)

(Voor dit stuk is gebruik gemaakt van informatie afkomstig van http://users.pandora.be/louis.jacobs/Elsschot.htm

DdH
 

 

Recent

22 september 2017

Modiano's spel met de lezer

20 september 2017

In de huid van een leeuwin

19 september 2017

Nieuw leven beschreven

18 september 2017

Dichter van de werkelijkheid

Literair Nederland - 10 jaar geleden

24 september 2007

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter. Soms reed je wel drie keer per dag op die bakfiets langs. Ik vond je koddig en stoer met je houtje-touwtjejas aan en je mutsje op. Je was toen al een apart type. Ik was vijftien jaar en had wat je noemt een voorspellende blik. Ik herinner mij dat ik, nadat je weer langs was gekomen, mijn moeder vertelde dat wij zouden trouwen en een kind zouden krijgen. Mijn moeder was het gewend dat ik zulke dingen zei. Ik had vaker van die voorspellingen, soms ook over de dood. Dat vond ze eng."

"Toen ik jou voor het eerst zag, kwam je voorbijfietsen op een bakfiets waarin je spullen vervoerde. Het was laat in het jaar 1952, in de winter. Ik stond voor het raam van mijn ouderlijk huis in de Wilhelminastraat, waar mijn ouders een hotel-pension dreven, naar buiten te kijken. De Wilhelminastraat heette alweer een jaar of zeven zo. Als jong kind groeide ik op met de Schouwburgstraat, omdat in de oorlog namen van de koninklijke familie waren geschrapt door de Duitse bezetter.

Lees meer