20 februari 2006

Kees 't Hart

Kees ’t Hart (Den Haag, 12 juli 1944) is schrijver, dichter, recensent. Deze week komt zijn nieuwste roman uit. Een portret van deze veelzijdige en eigenzinnige schrijver in zes citaten.

Ik vond het altijd enge trutten, maar dat is nu voorbij. (…) Ik heb veel gevoel voor ze gekregen, echt warm, sentimenteel gevoel. Wat een eigenwijze vrouwen, wat een leuke lui.
Over Betje Wolff en Aagje Deken, romanpersonages in Ter navolging, Trouw, interview door Iris Pronk, 2004

Net als Vincent [personage in Ter navolging, cp] was ’t Hart in Frankrijk vooral op zoek naar feitjes die zijn louche theorie over de dames konden staven. Waar of niet waar, dat deed er niet toe. Schitterend vindt hij het dan ook dat hij onder een nogal vreemde naam in het bibliotheeksysteem werd geregistreerd. “Ze keken in mijn paspoort toen ik me inschreef. Later zag ik dat ik als ’s Gravenhage Kees door het leven ging.” Bulderend: “prachtig toch, die mystificatie?”
Interview door Kirsten van Santen in de Leeuwarder Courant, 2004

Ik wil haar tekstschrijver ook zijn. Lach maar even hoor, dat mag, maar ik ben daar heel serieus in. Het is mystiek. Ik heb haar platen. De bewijzen liggen hier in huis. Corry kan niets zingen wat zij niet meent en voelt. Dat merk je als je naar haar luistert.
Over de voorliefde voor Corry Konings, interview door Arjan Peters in De Volkskrant, 1999.

De fotograaf staart verrukt naar vogelhuisjes, blijft daar even staan en raakt ons dus direct kwijt. ’t Hart wurmt zich tussen twee overvolle stellingen met allerhande doosjes en stapeltjes door en kijkt steeds gelukkiger. Hij wijst op allerlei voorwerpen: sleetjes, bladervegers, hooivorken, een gemuteerde schop. Nou? Is dit niet wat zijn gedicht beloofde? ‘Ik las het gedicht meer als een hellevaart naar een gewelf waar je niet meer uitkomt,’ zeg ik. ‘O,’ reageert ’t Hart. ‘Een hel? Vind je het hier een hel?’ ‘Nee, in dat gedicht, bedoel ik.’ ‘Ja als je zo begint.’
De auteur leidt een verbijsterde Jeroen Vullings en een fotograaf rond in de winkel van Auke Rauwerda, Vrij Nederland, 2000.

‘Als je een idee hebt en het is een goed idee dan moet je maar even doorschrijven, ook al deugen de zinnen nog niet. Op een dag heb ik al die schaamtes over slechte zinnen van me afgezet en schreef ik drie weken lang drie bladzijden per dag. Binnen die rotzooi bleek zich toen weldegelijk een verhaal te bevinden. Daarna maak ik pas een tweede versie en gaat alle troep eruit: klopt de toon, is het geouwehoer niet te dol?’
Interview door Christiaan Weijts in Mare, 2003.

Die terminologie is al verkeerd. De achttiende eeuw, wat is dat? Iedereen denkt aan de Verlichting, pruiken, Nederlanders die Frans praten. Het zijn allemaal clichés. In Vitrines staat het verhaal Rousseau met een parodie over het spreken over historische verschijnselen. Daar zegt men: de achttiende eeuw was een eeuw waarin men over de zeventiende eeuw nog even nasprak. Absurde zinnen. De achttiende eeuw is een constructie. In mijn werk komt dat voortdurend voor: de strijd tegen deze constructies. Ik ben ertegen!
Antwoord op de vraag: De fascinatie voor de achttiende eeuw heb je al heel lang. Tzum, 2004.

1988 – Vitrines
1989 – Land van genade
1990 – De neus van Pinokkio
1992 – Zwembad
1996 – Blauw Curaçao
1998 – Kinderen die leren lezen (poëzie)
1998 – Overlezen
1999 – De revue
2001 – Het mooiste leven… (over S.V. Heerenveen, real-lifedocumentaire)
2002 – De ziekte van de bewondering (essays)
2004 – Ter navolging
2005 – Grasbladen (redactie samen met Jacob Groot, vertaling van diverse auteurs van Walt Whitman – Leaves of Grass (1855)
2006 – De krokodil van Manhattan

Een interview met de auteur over zijn nieuwste boek is te beluisteren op de site van Opium, zondag 19 februari.

Recent

16 augustus 2017

Ideale bestaansvorm

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer