11 april 2005

Italo Calvino (1923-1985)

Auteurs

Italo Calvino wordt geboren op 15 oktober 1923 in Santiago de Las Vegas, Cuba. Zijn beide ouders zijn op dat moment werkzaam als reizende botanisten. In 1925 verhuist het gezin  naar een landgoed in San Remo, aan de Italiaanse Riviera. Calvino brengt zijn kindertijd door tussen de tropische bomen en planten, maar raakt al snel geïnteresseerd in een ander soort vegetatie: die van het geschreven woord.

In 1940 neemt Calvino, als gedwongen lid van de Jonge Fascisten, deel aan de Italiaanse bezetting van de Franse Riviera. Een jaar later begint hij aan zijn studie landbouwkunde aan de Universiteit van Turijn, waar zijn vader lesgaf als professor tropische agricultuur. Tijdens de Duitse bezetting in 1943 breekt hij zijn studie af en sluit zich aan bij het Italiaanse verzet om te strijden in de Ligurische Alpen als lid van de Garibaldi Brigades. Hier is het, zo schrijft Calvino later, dat hij de kunst van het vertellen leert kennen: bij de partizanen aan het kampvuur. In 1944 wordt hij lid van de Partido Comunista Italiano.

Na de bevrijding keert Calvino terug naar Turijn. Hij beslist zijn studie landbouwkunde niet voort te zetten, maar zich te werpen op de studie literatuur. Twee jaar later studeert hij af met een verhandeling over Joseph Conrad. Hij levert bijdragen voor het weekblad Il Politecnico en de krant L’Unita en gaat al snel werken bij de uitgeverij Einaudi. Hier ontmoet hij Cesare Pavese en Elio Vittorini, twee neorealistische schrijvers die hem introduceren in de linkse politiek. De moeilijke liefdes, een bundeling korte verhalen passen in Calvino’s neorealistische periode. Ook de historicus Franco Venturi en de filosofen Norberto Bobbio en Felice Balbo gaan tot zijn vriendenkring behoren.

In december 1946 schrijft hij, in slechts twintig dagen, zijn eerste roman, Het pad van de spinnennesten. Hierin verweeft Calvino elementen uit zijn jeugd bij de partizanen. Vanaf 1948 werkt hij mee aan het communistische weekblad Rinascita. In 1950 keert hij terug naar Einaudi en krijgt hij de verantwoordelijkheid over de literaire bijdragen in La Piccola Biblioteca Scientifica-Letteraria. Na het lezen van het werk van de Russische formalist Vladimir Propp raakt hij bijzonder geïntrigeerd door de morfologie van de volkse verhalentraditie. Tijdens de jaren 50 legt Calvino zich toe op het verzamelen van volkse vertellingen uit heel Italië. In 1956 publiceert hij zijn Italiaanse volkssprookjes.

Die fascinatie voor het fantastische leidt in 1952 tot de publicatie van De gespleten burggraaf, het eerste deel van Calvino’s latere drieluik, Onze voorouders. In 1957 en 1959 verschijnen het tweede en derde deel, De baron in de bomen en De ridder die niet bestond. Figuren als de gespleten burggraaf Medardo van Terralba, de baron in de bomen Cosimo Piovasco van Rondò en de ridder die niet bestaat Agilulf Emus Bertrandinus van Guildivern en de Anderen van Corbentraz en Sura, ridder van Selympia Citerior en Fez, bestaan op zich als de creatie van een grootse verbeelding, maar worden door Calvino bij een terugblik op het drieluik ook geplaatst in de realiteit van de tijdsgeest. Die vermenging van het fantastische met politieke en andere werkelijkheden is tekenend voor zijn oeuvre.

In 1957 verlaat Calvino de Communistische Partij. Hij reist veel en bezoekt onder andere Rusland, de VS en Cuba, waar hij in 1964 de Argentijnse vertaalster Esther Judith Singer trouwt. Intussen is zijn Marcovaldo verschenen, het definitieve einde van zijn neorealistische periode. In 1965 publiceert hij Kosmi Komische verhalen, waarin hij ‘de spontane vorming van beelden en de doelgerichtheid van het redenerend denken met elkaar [wil] verenigen’. De hoofdpersoon, Qfwfq, is een altijd al aanwezige levensvorm die ‘getuige [blijkt] te zijn geweest van alles wat de theorieën over het ontstaan van het heelal veronderstellen’, maar die geschiedenis niet onproblematisch vertegenwoordigt.

Twee jaar later verhuist Calvino naar Parijs, waar hij gedurende vijftien jaar, met tussenpozen, zal blijven terugkeren. Daar leert hij de literaire kringen Tel Quel en OuLiPo (Ouvroir de Littérature Potentielle) kennen en ontmoet hij schrijvers als Raymond Queneau, Georges Perec en Jacques Roubaud. Onder invloed van de écriture à contraintes roept hij op tot een literatuur die filosofie en wetenschap ademt, maar tegelijkertijd zijn afstand bewaart en theoretische abstracties en het schijnbaar concrete van de realiteit oplost. In de eerste helft van de jaren 70 verschijnen De onzichtbare steden en Het kasteel van de kruisende levenspaden. Over dat laatste boek schrijft hij zelf: ‘een boek dat een soort machine wil zijn voor de vermenigvuldiging van verhalen op basis van figuurlijke elementen met vele mogelijke betekenissen, zoals die van een spel tarotkaarten’. De onzichtbare steden is een boek dat zich op het complexe symbool van de stad concentreert, een symbool dat de schrijver ‘de meeste mogelijkheden heeft geboden om uitdrukking te geven aan de spanning tussen geometrische rationaliteit en wirwar van het menselijk bedrijf’. Marco Polo brengt hierin, uiterst miniem maar gedetailleerd, verslag uit aan Kublai Khan van zijn reizen naar tal van wereldsteden, plaatsen die in het echt niet bestaan.

In 1979 brengt Calvino zijn hyper-roman Als op een winternacht een reiziger… uit. Hierin tracht hij ‘de essentie van de roman als zodanig weer te geven door die te concentreren in tien beginfragmenten van mogelijke romans, die op de meest diverse manieren een gemeenschappelijke kern tot ontwikkeling brengen, en die handelen binnen een raamwerk dat hen bepaalt en door hen bepaald wordt’. Een Lezer en een Lezeres volgen intrigerende verhaallijnen en komen zo terecht in een wijdvertakte vertelling die zich uitstrekt over gekende en ongekende literaturen.

In 1983 schrijft hij nog Palomar, ‘een soort notitieschrift over minimale kennisproblemen, over manieren om relaties met de wereld tot stand te brengen, over beloning en frustratie in het hanteren van stilte en van taal.’ Meneer Palomar concentreert zich in zijn dagelijkse bestaan op geïsoleerde verschijnselen en bestudeert ze ‘tot in de kleinste details, met een hang naar precisie die grenst aan obsessie’.

Op 19 september 1985 sterft Italo Calvino aan een hersenbloeding. Postuum verschijnt nog zijn Zes memo’s voor het volgende millennium, een erg intelligent, beeldrijk pleidooi voor een literatuur die zijn eigen voortbestaan kan garanderen. De voor dat soort literatuur zo nodige kenmerken lichtheid, snelheid, exactheid, zichtbaarheid en veelvoudigheid (het zesde, ‘consistentheid’, heeft hij nooit kunnen afmaken) worden steeds toegelicht aan de hand van voorbeelden uit de literaire traditie (ook zijn eigen werken) en moeten de literatuur van de toekomst gaan bepalen.

Calvino’s oeuvre is groots in zijn opzet: de vermenging van het fantastische met het politieke, wetenschappelijke en later postmodernistisch meta narratieve geeft hem terecht een prominente plaats in de wereldliteratuur.

Bronnen
www.emory.edu
www.kunstbus.nl
authologies.free.fr

Bibliografie
Het pad van de spinnenesten (1947, Nederlandse vertaling 1993)
En dan komt de raaf (1949, Nederlandse vertaling 1999)
De moeilijke liefdes (1958; Nederlandse vertaling 1989)
Onze voorouders (1960; Nederlandse vertaling 1986)
De gespleten burggraaf
            De baron in de bomen
            De ridder die niet bestond
Een dag op het stembureau (1963, Nederlandse vertaling 1994)
Marcovaldo, of De seizoenen in de stad (1963, Nederlandse vertaling 1992)
Kosmikomische verhalen (1965; Nederlandse vertaling 1983)
De weg naar San Giovanni (1963-1977; Nederlandse vertaling 1992)
De onzichtbare steden (1972, Nederlandse vertaling 1981)
Het kasteel van de kruisende levenspaden (1973, Nederlandse vertaling 1982)
Als op een winternacht een reiziger (1979, Nederlandse vertaling 1982)
Palomar (1983; Nederlandse vertaling 1985)
Zes memo’s voor het volgende millennium (1988, Nederlandse vertaling 1991)
De betoverde tuin: de mooiste verhalen (1989, Nederlandse vertaling 1998)
Waarom zou je de klassieken lezen (1991, Nederlandse vertaling 2003)

 

 

Recent

11 augustus 2017

Zorgenkind of zondagskind

7 augustus 2017

Een kanjer

4 augustus 2017

Wondranden

Literair Nederland - 10 jaar geleden

27 augustus 2007

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Iemand gaat op reis naar een prachtig land, Peru in dit geval, en schrijft een boek over deze reis. Op de flap staat: "Het neusje van Peru voert de lezer mee naar de Peruviaanse woestijn, het Triticameer, over de Andes naar het hart van het Incarijk, tot in de jungle nabij Iquitos."

Dat klinkt toch goed nietwaar? Helaas, we worden wel meegenomen maar niet naar het bovengenoemde. Natuurlijk komen deze gebieden wel voor in het boek maar het frappante is dat ik heel veel over het reizen zelf heb gelezen maar weinig over het land.

Lees meer