19 juli 2004

Anna Blaman

Johanna Petronella Vrugt werd op 31 januari 1905 geboren in een huis aan het Vredenoordplein te Rotterdam. In haar schooljaren werd zij soms Jo genoemd; in haar vroege jeugd heette zij, zoals later weer, Anna. Hoewel haar pseudoniem Blaman pas dateert uit de tijd waarin zij met A. A. M. Stols over de mogelijke uitgave van een dichtbundel correspondeerde (1938/1939), zullen wij haar in dit levensbericht noemen bij de naam, waaronder zij bekend is geworden.Anna Blamans vader was Pieter Jacob Vrugt. Hij werd geboren op 28 juli 1872 te ‘s-Hertogenbosch. Nadat op 13 mei 1904 zijn kinderloos huwelijk met Helena Elizabeth Krijger door echtscheiding was ontbonden, trouwde hij op 17 augustus 1904 met Johanna Karolina Wessels, bij wie hij drie kinderen verwekte.
Johanna Karolina Wessels werd op 11 september 1885 te Rotterdam geboren. Toen zij Pieter Jacob Vrugt huwde, had zij al een kind van hem. Uit hun huwelijk werd, behalve de latere schrijfster, nog een dochter geboren: Jacoba Cornelia Vrugt, Anna Blamans jongere zuster.
Pieter Jacob Vrugt was fietsenmaker, -handelaar en -verhuurder, een beroep waarin het hem voor de wind ging. Hij kon zijn gezin vier fietsenzaken nalaten, toen hij al op vierenveertigjarige leeftijd aan een hartaandoening overleed. Hij was een warmbloedige man, die van vrouwen en muziek hield. De kleine Anna haatte hem, omdat hij wreed was tegenover dieren en omdat hij haar ? een kind van zwakke constitutie ? hardhandig tot een flink meisje probeerde op te voeden.
Anna Blamans moeder was een zachtaardige vrouw, die nuchter was en levenswijs: de toevlucht van haar gevoelig en introvert dochtertje, dat zij zonder veel woorden de extra aandacht schonk, die het nodig had. Zij hield van lezen, een hobby waarvoor zij haar huishouden kon verwaarlozen. Om na de dood van haar man in het levensonderhoud van haar gezin te kunnen voorzien verkocht zij diens fietsenzaken en nam een pension over in de Weste Wagenstraat. Anna Blaman heeft dit pension in Vrouw en vriend als het pension van de familie De Watter beschreven. Ook in Op leven en dood vinden we passages, die geïnspireerd zijn door de herinnering aan deze jaren; het portret van Stefans moeder, de slovende pensionhoudster, dat daarin wordt getekend, werd de schrijfster ingegeven door de warme bewondering die zij haar leven lang voor haar eigen moeder gekoesterd heeft.
Anna Blaman werd in 1920 ingeschreven als leerlinge van de Rijksnormaalschool aan de Persoonshaven, nadat zij aan diverse scholen lager en uitgebreid lager onderwijs had gevolgd. Haar leraar Nederlands aan de Rijksnormaalschool was N. J. de Boer, de vader van de Rotterdamse schrijver J. W. de Boer. In 1924 behaalde zij de onderwijs-, en in 1926 de hoofdakte. Zij was tot 1934 als onderwijzeres in tijdelijke dienst werkzaam aan een groot aantal scholen in Rotterdam. Zij kreeg geen vaste aanstelling, omdat zij door gebrek aan interesse en gehinderd door bijziendheid gezakt was voor de akte handwerken.
Haar behoefte aan culturele vorming werd door de opleiding tot onderwijzeres alleen gedeeltelijk vervuld. In haar streven zichzelf verder te ontwikkelen werd zij gestimuleerd door W. L. Brusse, die in die jaren met zijn broer Johan de Naamloze Vennootschap W. L. en J. Brusse’s Uitgeversmaatschappij aan de Walenburgerweg leidde. Zij liet Willy Brusse haar gedichten en prozaschetsen lezen, waarover hij zich krities prijzend uitliet. Een Schets uit deze jaren werd na Anna Blamans dood in Ruimte, Driemaandelijks cahier nr. 18 (december 1962) gepubliceerd.
In 1929 had de jonge schrijfster een roman, Peter Minne, gereed, die door Brusse uitgegeven zou worden. Maar zij zag ter elfder ure van publicatie af, waarschijnlijk omdat zij haar werk nog niet rijp genoeg achtte.
In de jaren waarin Anna Blaman de kweekschool bezocht, was zij zich van haar homoseksuele aanleg bewust geworden. Zij vatte niet lang daarna een grote liefde op voor een voordrachtskunstenares, die zij als Sara Obreen in Vrouw en Vriend zou portretteren. Toen zij in 1936 voor een nierziekte in het gemeenteziekenhuis aan de Bergweg werd verpleegd, leerde zij daar echter de vrouw kennen, die haar vriendin voor het leven zou worden, al zou deze vriendschap een jarenlange crisis moeten doorstaan. Samen met de moeder van Anna Blaman heeft deze vrouw, een verpleegster, tot de belangrijkste personen in haar leven behoord.
Zoals alle auteurs van haar generatie, die naar het belangrijkste tijdschrift van die tijd wel de Criterium-generatie wordt genoemd, debuteerde Anna Blaman in zorgelijke maatschappelijke omstandigheden. De ecomische krisis van 1929 bracht veel werkeloosheid met zich mee. Men kon hoe langer hoe duidelijker de opkomst van fascisme en nationaal-socialisme gadeslaan. Een wereldoorlog dreigde. Voor Anna Blaman persoonlijk kwam daarbij nog dat ze een zwakke gezondheid had. Aan het eind van de jaren dertig, toen zij, ziek en werkeloos, op geen enkele andere carrière kon rekenen, begon zij, bijna tien jaar nadat zij Peter Minne had teruggenomen, opnieuw aan publiceren te denken. In 1938 bood zij uitgeverij A. A. M. Stols een dichtbundel aan, die geweigerd werd. In 1939 lukte het haar wat proza en een aantal gedichten geplaatst te krijgen in het jongerentijdschrift Werk. In dat tijdschrift debuteerde zij in april 1939 met het verhaal ‘Romance’. In 1939 leverde zij bovendien bijdragen aan Helikon, Tijdschrift voor poëzie, en de jongerenalmanak In aanbouw. In 1940 werd Criterium, Letterkundig maandblad opgericht, dat tot in 1942 zou blijven bestaan. Ook in dit tijdschrift publiceerde zij. Bij de uitgeverij van Criterium, J. M. Meulenhoff te Amsterdam, toen onder directie van J. R. Meulenhoff, verscheen in 1941 haar eerste roman, Vrouw en Vriend.
Omdat Anna Blaman de behoefte voelde haar geringe culturele scholing ? een kenmerk dat zij met veel literaire generatiegenoten gemeenschappelijk had ? te verbeteren, ging zij studeren. In 1929 had zij zich, misschien onder invloed van haar contact met W. Brusse, al laten inschrijven aan de School voor Taal- en Letterkunde te Den Haag voor enkele lessen in de M.O.-cursus Nederlands. Lang hield zij zich met deze studie niet bezig. Nadat zij de voorbereidende studies aan het Instituut De la Rivière te Rotterdam voltooid had, liet zij zich in 1940 opnieuw aan de School inschrijven, ditmaal voor de cursus Frans M.O.-B. Zij behaalde de akte in 1945. Deze studie opende de toegang voor haar tot de cultuur van het land dat zij tot aan haar dood vaak zou blijven bezoeken. Zij hield veel van Parijs en bereisde meermalen het Franse platteland. Toen zij in 1950 een reisbeurs kreeg van het Ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen, besteedde zij deze in Frankrijk. Haar zomervakanties bracht zij graag door aan de Franse Zuidkust.
In de oorlogswinter van 1944-‘45, de ‘hongerwinter’, kwam Anna Blaman in conflict met haar vriendin, zuster B. Anna Blaman had in hun vriendschap de vervulling van een door het lot voorbeschikte liefde gezien, maar haar vriendin, nuchterder van aard, vatte hun verhouding niet zo exclusief op en ging een relatie aan met een dansleraar, op wie zij verliefd was geworden. Een breuk bleek onvermijdelijk. Gedesillusioneerd zette Anna Blaman zich in 1946 tot het schrijven van Eenzaam avontuur, waarin zij het huwelijksconflict van Bart Kosta en zijn ‘raadselachtige Alide’ beschreef. Nog voordat de roman voltooid werd, was de goede verstandhouding tussen beide vrouwen enigszins hersteld, al zou hun vriendschap zich pas in het begin van de jaren vijftig opnieuw stabiliseren.
Toen Eenzaam avontuur in november 1948 verscheen, veroorzaakte het een langdurig schandaal. Het werd op morele gronden verworpen door de katholieke en gereformeerde pers. Op 8 februari 1949 was het het middelpunt van een ter gelegenheid van de Boekenweek georganiseerd schijnproces in Rotterdam, dat op een rel uitliep. Toen de Commissie voor Schone Letteren van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde in juni 1949 Eenzaam avontuur voordroeg voor de Lucy B. en C. W. van der Hoogtprijs, berichtte Anna Blaman het bestuur, dat zij de prijs niet zou aanvaarden, omdat het commissierapport haar eerder ontmoedigde dan aanmoedigde. In 1950 werd haar de literatuurprijs 1949 van de gemeente Amsterdam toegekend, hetgeen opnieuw aanleiding werd tot boze perscommentaren.
Vooral in de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog reisde Anna Blaman graag naar Amsterdam, waar zij ? onder andere in de culturele sociëteit De Koepel aan de Marnixstraat ? Gerard den Brabander, Ed Hoornik, Emmy van Lokhorst, Jeanne van Schaik-Willing, Theun de Vries en de kosmopoliete Mathilde Visser ontmoette. Ook bracht zij vaak een bezoek aan haar uitgever J. R. Meulenhoff en zijn vrouw Jacqueline, die beiden goede vrienden van haar waren. Een bijzondere liefde verbond haar met Amsterdam, de stad waarin sinds 1948 ook haar vriendin, zuster B. woonde en werkte. Maar Anna Blaman bleef Rotterdam trouw, waar zij in het huis van haar moeder een kamer bewoonde. Over haar liefde voor Rotterdam schreef zij in een Ten geleide voor een ongepubliceerd jaarverslag van de Rotterdamse Kring van Auteurs: ‘Ik zal nu eens ten bewijze van mijn liefde voor deze stad vertellen in welk opzicht ze naar mijn gevoel tekort schoot, heel mijn leven lang. Mijn voornaamste klacht was deze: zodra ik me bewust werd van een behoefte aan enige intellectuele confrontatie met mijn medemensen, voelde ik me binnen haar grenzen verloren als in een woestijn. Ik ging al vroeg denken: was ik maar in Parijs geboren, of in Amsterdam. En om na te gaan of die verzuchting gerechtvaardigd was, ben ik naar Parijs getogen en naar Amsterdam, en niet voor één dag, maar voor weken, maanden! En ik kom er maar meteen voor uit: ik vond daar wat ik hier miste, ik had het er heerlijk. Mijn behagen in die twee steden was één groot verraad aan mijn arme, a-spirituele en humorloze Rotterdam. Maar dat raakte mijn geweten ternauwernood. Ik dacht: verraad? Ik kom er immers weer terug om te werken, eenzaam, tussen mijn vier kamermuren: werken kan ik er goed. Het was dus als ’t ware z met Rotterdam was ik getrouwd, met die twee andere steden had ik een liaison. Dat ging goed totdat er iemand uit de Amsterdamse litteraire wereld tegen me zei: “ik kan me niet begrijpen waarom je in Rotterdam blijft, daar hoor je niet, je hoort echt in Amsterdam.” En dat vleide me niet, dat deed me geen plezier, integendeel, dat gaf me het gevoel van schaamte dat een in wezen trouw echtgenoot moet krijgen als zijn minnares hem van zijn vrouw, die hij als ’t erop aankomt voor niets ter wereld missen wil, probeert af te troggelen. Ik reisde naar huis terug, vervuld van de diepe overtuiging dat ik hier, in Rotterdam, hoorde, en omdat ik mijn ontrouw als een schijn-ontrouw had leren ontdekken, voelde ik mijn liefde voor haar sterker dan ooit tevoren, als een diep met mij vergroeid onverwoestbaar sentiment.’
Aan het culturele leven van Rotterdam, dat samen met de in de oorlog verwoeste stad opnieuw opgebouwd moest worden, droeg Anna Blaman bij door haar medewerking aan het Rotterdams Toneel, waarvoor zij stukken vertaalde, en aan het idealistische toneelgezelschap De Rotterdamse Comedie, waaraan zij als dramaturge verbonden was. Ook richtte zij in 1952 met W. A. Wagener en Dr. A. J. Teychiné Stakenburg de Rotterdamse Kring van Auteurs op, waarvan zij voorzitster werd.
In april 1955, een half jaar nadat haar roman Op leven en dood was verschenen, waarvan de hoofdpersoon een hartaanval moet doorstaan, werd Anna Blaman zelf door een hartinfarct getroffen. Zij werd maandenlang verpleegd door haar vriendin, die haar bij zich in huis nam om beter voor haar te kunnen zorgen. Anna Blaman genas, maar zij moest haar levenstempo matigen. Dit viel haar niet gemakkelijk. Zij schikte zich echter naar haar lichamelijke conditie onder het toeziend oog van zuster B. en begeleid door de zorg van haar familieleden. De gespannenheid die haar als jonge vrouw gekenmerkt had, viel van haar af. Mildheid en ironie op een zeer persoonlijke wijze verenigend, wist zij talrijke mensen, die haar per brief, telefoon of na afloop van een lezing benaderden om van haar de oplossing van hun meest intieme problemen te horen, voor zich in te nemen.
In 1956 werd haar opnieuw de literatuurprijs van de gemeente Amsterdam toegekend, ditmaal voor Op leven en dood. In 1957 werd zij bekroond met de Nederlandse staatsprijs voor literatuur, de P.C. Hooftprijs, voor haar gehele oeuvre. In datzelfde jaar kwam de bundel Overdag en andere verhalen uit, het laatste boek dat zij zelf nog zou zien verschijnen. De roman De verliezers, waarvoor haar in 1959 een regeringsopdracht werd verleend, verscheen, niet geheel voltooid, postuum.
Anna Blaman overleed op 13 juli 1960 in het huis aan de De Vliegerstraat, waarin zij meer dan dertig jaar met haar moeder, haar zuster Corrie, en sinds 1947 ook met haar zwager, J. Lührs, gewoond had. De doodsoorzaak was een hersenembolie. Haar vriendin, in allerijl uit Amsterdam overgekomen, vond haar in een coma, waaruit zij niet meer zou ontwaken. Anna Blaman werd begraven op het kerkhof Hofwijk te Overschie.

Bibliografie

1941 Vrouw en vriend
1943 Ontmoeting met Selma
1948 Eenzaam avontuur
1950 De kruisvaarder
1956 In duizend vrezen, wagenspel
1951 Ram Horna en andere verhalen
1951 De doolhof. Roman door Anna Blaman, Antoon Coolen e.a.
1954 Op leven en dood
1957 Overdag en andere verhalen
1957 Het Costerman-oproer, wagenspel
1959 Het De Vletter-oproer, wagenspel
1960 De verliezers
1963 Verhalen, Anna Blaman over zichzelf en anderen. Poëzie, artikelen en lezingen
1974 Spelen of sterven, bijeengebracht door A. Kosmann

Bron: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse Letterkunde, H. M. A. Struyker Boudier

DdH

Recent

21 november 2017

Reizen in een binnenwereld

20 november 2017

Het leven ontwijken

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 november 2007

Geloven in een god die niet bestaat
Door Bernadet

Op de titel De Kunst van het Nietsdoen (2004) van Theo Fischer reageerden veel mensen met: ‘Oh, dat zou ik ook wel willen, een tijdje niets doen.’ Daar ging het boek echter niet over. Het ging over Taoïsme; het niet steeds willen ingrijpen in de gebeurtenissen van je leven en de dingen naar je hand te willen zetten of bezweren.

Lees meer