5 januari 2004

Hubert Lampo

Zouden er nog schrijvers zijn die magisch-realistische romans schrijven? Misschien, ergens weggestopt in een stadszolder of een provincievilla. Enkele decennia geleden was het een zeer gewild genre, waarmee schrijvers als Johan Daisne en Barend Roest Crollius en schilders als Carel Willink en Pyke Koch beroemd werden. Kampioen van deze fictiecategorie tussen werkelijkheid en mystiek was ongetwijfeld Hubert Lampo, die naast De komst van Joachim Stiller nog zo’n tachtig andere literaire werken schreven – waarvan overigens maar een deel met het stempel ‘magisch-realistisch’.

Hubert Leon Lampo werd op 1 september 1920 geboren in een voorstad van Antwerpen – de stad die hij zou vereeuwigen in romans als Terugkeer naar Atlantis (1953) en Een geur van sandelhout (1976). Zijn vader werkte bij de posterijen, zijn moeder was een muzikaal begaafde onderwijzeres. Hij had een broer die tien jaar ouder was. Anders dan veel van zijn leeftijdsgenoten werd hij niet godsdienstig opgevoed: het gezin Lampo was vrijzinnig-socialistisch, Vlaams-gezind en bescheiden. Zijn vader had in zijn jeugd wetenschappelijke ambities gehad, maar had deze nooit kunnen invullen.

In 1934 ging Lampo naar de Stedelijke Normaalschool in Antwerpen, waar hij vier jaar later het diploma ontving om daarna door te studeren voor leraar Lager Secundair Onderwijs. Eind jaren dertig ging hij lesgeven, maar hij moest in 1944 in dienst, waar hij een administratief baantje vervulde. Na de oorlog besloot hij niet verder te gaan met zijn onderwijscarrière, maar journalist te worden. Hij schreef voor diverse tijdschriften culturele schetsen en in 1946 werd hij redactiesecretaris van het Nieuw Vlaams Tijdschrift, naast zijn werk als freelance journalist. In 1948 werd hij aangesteld als Rijksinspecteur bij de Dienst voor de Openbare Bibliotheken voor Oost-Vlaanderen, in 1964 werd hij gepromoveerd tot Hoofdinspecteur van de Openbare Bibliotheken.

Al voor de oorlog begon hij te schrijven, en in 1940 werd een Middeleeuwse Kerstlegende van zijn hand gepubliceerd in het tijdschrift Vormen. In 1945 verscheen zijn eerste roman, Hélène Defraye, een psychologisch-realistische roman over een vrouw die moet kiezen tussen haar man of zijn vader, waarvoor hij in 1947 de Prijs van de Provincie Antwerpen kreeg. Dit was het begin van een uitgebreid oeuvre die volgens Lampo zelf in vijf categorieën kan worden ingedeeld: non-fictie en essaybundels (De zwanen van Stonehenge 1962), psychologisch-realistische romans (De ruiter op de wolken, 1948), historische werken (De duivel en de maagd, 1955), historisch-fantastische verhalen (De belofte aan Rachel, 1952) en magisch-realistische boeken. De laatste categorie is de grootste en bestaat uit werken als Terugkeer naar Atlantis (1953) en Een geur van sandelhout (1976).

Verreweg het bekendste magisch-realistische boek van Lampo is de roman De komst van Joachim Stiller die in 1959 verscheen en hem onmiddellijk veel succes en prestige bracht – zozeer zelfs dat Lampo lange tijd in de jaren zestig het mikpunt werd voor jonge revolutionaire literatoren die hem voor het literaire establishment hielden. De komst van Joachim Stiller beschrijft enkele maanden uit het leven van de vrijgezelle journalist Freek Groenevelt die een simpel artikeltje schrijft over een opgebroken Antwerpse weg en zo in contact komt met een doodsbenauwde wethouder Publieke Werken die hem vertelt dat er geheimzinnige, beangstigende dingen gebeuren. Als Groenevelt ook nog een brief ontvangt die anderhalf jaar vóór zijn geboorte is gepost, raakt het verhaal in een stroomversnelling. De briefschrijver blijkt Joachim Stiller te heten en kondigt allerlei gebeurtenissen aan. Ook Keldermans krijgt brieven van Stiller, evenals de lerares Marijnissen. Steeds meer personen raken verwikkeld in het verhalenweb van deze geheimzinnige figuur en als Stiller dan eindelijk op het Zuiderstation verschijnt, wordt hij door een legerwagen doodgereden. Stiller wordt opgebaard, maar drie dagen later is zijn lijk verdwenen – de verschillende personen totaal veranderd achter zich latend.

Vanwege dit boek werd Lampo in 1961 laureaat van het Referendum der Vlaamse Letterkunde en kreeg hij de Staatsprijs voor het verhalend proza. Ook andere prijzen vielen hem ten deel, maar de belangrijkste lof kwam van de Nederlandse Vereniging ter Bevordering van de Belangen des Boekhandels, die hem als eerste Vlaming vroeg om een novelle voor de boekenweek te schrijven – dat werd De goden moeten hun getal hebben (1969). In eigen land kreeg hij ook veel tegenwerking – zeker van de literaire kritiek. “Zij zijn vervolgens in gesloten geledingen tegen mij tekeergegaan, in de hoop mij het zwijgen op te leggen. Maar hoe meer zij met hun grote smoelen lawaai maakten, des te meer ik heb geschreven. En het publiek is mij gevolgd,” zegt Lampo in een interview met Trouw. 

Lampo is ongetwijfeld de belangrijkste pleitbezorger van het magisch realisme geweest, hoewel Johan Daisne de eer toekomt als ‘ontdekker’ van het genre. Er zijn ook grote verschillen tussen de twee Belgische schrijvers: Lampo’s magisch realisme is psychologisch van aard, terwijl Daisne zich meer op filosofische vraagstukken richtte. Lampo beschouwde het magisch realisme als een levenshouding, waarbij hij steunde op de theorieën van Carl Gustav Jung met zijn archetypen en collectief-onderbewuste ideeën. Ook in het schrijfproces zelf liet Lampo zich inspireren door het magisch realisme. Hij zocht voortdurend naar creatieve golven die een roman in een onverwachte richting zouden duwen en tevens diepere lagen van zijn eigen persoonlijkheid zouden aanboren. Veel van Lampo’s romans beginnen dan ook met een schijnbaar eenvoudige realistische scène, zoals de opengebroken straat in De komst van Joachim Stiller. Vervolgens komen meestal drie belangrijke thema’s aan bod: de stad Antwerpen (en een hieraan gelijkende parallelle stad in een andere wereld), de zoektocht naar een ideale vrouw (Don Juan en de laatste nimf, 1946) én een ideale wereld zoals Atlantis, het bijbelse Egypte of het vooroorlogse Europa. Zijn literaire techniek bestaat er vervolgens uit om het reële te verbinden met het mystieke, surrealistische of fantastische door middel van verstoringen op het niveau van tijd of plaats: de hoofdpersonen zijn hier al eens geweest (déjà vu) of er gebeuren dingen op twee plaatsen tegelijk.

Met romans als Hermione betrapt (1963), De heks en de archeoloog (1967) en het autobiografische De draad van Ariadne (1967) schrijft Lampo zich in de jaren zestig naar de voorhoede van de Vlaamse en Nederlandse literatuur. Legioenen scholieren zetten zijn boeken op hun leeslijst. Hij krijgt de ene prijs na de andere en ondanks de tegenwerking van jaloerse collega’s wordt hij een schrijver met gezag, zeker als hij in 1983 de Prijs voor Letterkunde van de Vlaamse Provincies krijgt voor zijn gehele oeuvre. Naarmate de jaren tachtig voortschrijden lijkt de tijdgeest zich echter tegen hem te keren en beginnen het ironisch-realisme en het onverhulde autobiografische de overhand te krijgen in de Nederlandstalige literatuur. In 1983 begint Meulenhoff zijn romans gebundeld te herdrukken, te beginnen met De Antwerpse romans, hoewel Lampo nog driftig doorschrijft met romans als De elfenkoningin uit 1989 en De geheime academie uit 1994. Dat zijn oudere boeken nog steeds herdrukt worden, is een teken aan de wand: Lampo heeft iets in de Nederlandse lezer geraakt. “Ik ben ervan overtuigd dat mijn werk waardevol is. Anders zou ik niet zoveel lezers, vooral in Nederland, achter me hebben. Een fantastisch publiek trouwens. Het beste van de wereld. Het staat open voor wat ik maak. Mijn relatie met het publiek is totaal in tegenspraak met wat men uit de media zou kunnen concluderen.”

Dit is een ingekorte versie. De gehele tekst is te vinden op www.boekenwereld.com, auteur: Lampo.

Bezoek het genootschap 

Uitgebreid interview

Volg hier op deze site de discussie over Lampo

mn

Recent

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 november 2007

Een aantal jaren geleden heb ik een boek gelezen getiteld De kunst van het niets doen. Veel mensen reageerden met: "Oh, dat zou ik ook wel willen, een tijdje niets doen." Daar ging het boek echter helemaal niet over. Dat boek ging over Taoïsme en de gebeurtenissen in je leven op je af laten komen, van alle kanten bekijken, en dan weer verder gaan met je leven. Niet steeds in willen grijpen, dingen naar je hand willen zetten of bezweren. In het nu leven, de weg gaan die klaarblijkelijk zo moet zijn. Bij dit boek reageren mensen hetzelfde "Dat is toch dat boek van die dominee die niet in God gelooft? Dat is toch die atheïst?." Opschudding alom.

Een aantal jaren geleden heb ik een boek gelezen getiteld De kunst van het niets doen. Veel mensen reageerden met: "Oh, dat zou ik ook wel willen, een tijdje niets doen." Daar ging het boek echter helemaal niet over. Dat boek ging over Taoïsme en de gebeurtenissen in je leven op je af laten komen, van alle kanten bekijken, en dan weer verder gaan met je leven. Niet steeds in willen grijpen, dingen naar je hand willen zetten of bezweren.

Lees meer