Recensie: De mens in opstand – Albert Camus

8 december 2010

Recensie door: Albert Hogeweij

De goede terrorist bestaat!

De meeste mensen die Albert Camus kennen, zullen hem nog van de middelbare school kennen. Bijvoorbeeld van de roman De pest of De vreemdeling, die in 1942 verscheen, en uiting gaf aan de weerzin om altijd maar in de pas te moeten lopen met de heersende normen en waarden. De hoofdpersoon van L’étranger, Meursault, schiet ‘zo maar’ een medemens dood. Zinloos geweld avant la lettre. En de daad wordt door de schrijver niet eens psychologisch, ‘uit zijn moeilijke jeugd’ verklaard, laat staan veroordeeld. Interessant was ook De mythe van Sisyphus, zijn eveneens in 1942 uitgekomen studie naar de zin van zelfmoord voor de moderne mens voor wie god al lang dood is en voor wie het nochtans absurd wil toeschijnen zich geplaatst te weten in een tot in de eeuwigheid zwijgend universum, terwijl hijzelf onvermijdelijk op de dood afstevent. In 1957 werd Camus de Nobelprijs Literatuur toegekend en scheidden hem nog maar drie jaar van het fatale auto-ongeluk dat reeds op zesenveertig- jarige leeftijd een einde aan zijn leven maakte.

In de Tweede Wereldoorlog was Camus bij het Franse verzet betrokken en kwam hij in contact met communisten. In het naoorlogse Frankrijk bleek het bijkans onmogelijk om je op artistiek of intellectueel terrein te manifesteren zonder er op z’n minst communistische sympathieën op na te houden. Aanvankelijk vond Camus het communisme maar zo zo, maar al gauw veranderde dat in grondige afkeer. In kleine kring had hij zich al meermaals negatief uitgelaten over het na rotting stinkende kadaver van het Sovjet communisme, maar het werd tijd om de stoute schoenen aan te trekken en van die weerzin in boekvorm te getuigen. Dat boek kwam er uiteindelijk na vier jaar voorbereidende studie in 1951: l’Homme révolté, of wel De mens in opstand. Geen roman, maar een lang uitgewerkt essay. Camus zelf beschouwde het evenwel als zijn belangrijkste boek. Het werd al snel in het Nederlands vertaald, echter niet in zijn geheel. De eerste integrale vertaling ervan verscheen pas in 2004. En nu, in 2010, is daarvan een goedkopere herdruk op de markt.

Heeft zo’n essay van zestig jaar geleden nog enige actualiteitswaarde? En wat is de inzet van Camus geweest? Wat dat laatste betreft: hij wilde de knuppel in het communistische hoenderhok van Sartre en zijn discipelen smijten. Er moest afgerekend worden met dat intellectuele gedweep met die dictatuur. Het essay werd ten slotte een deconfiture van alle revoluties tot dusver, en haar makers. Niet zonder ironie schrijft hij in zijn inleiding: ‘De wonderlijke geschiedenis die hier ter sprake wordt gebracht, is de geschiedenis van de Europese hoogmoed’. En een paar bladzijden daarvoor stond al: ‘Op de dag dat de misdaad pronkt met de veren van de onschuld, wordt door een merkwaardige omkering, die kenmerkend is voor onze tijd, de onschuld gesommeerd zich te rechtvaardigen. Dit essay zou die vreemde uitdaging willen aannemen en onderzoeken.’

Camus voorvoelde dat het hem vriendschappen zou gaan kosten. ‘Laten we elkaar maar een hand geven. Want over een paar dagen zullen er niet veel mensen meer zijn die nog bereid zijn dat te doen’, sprak Camus enige dagen voor dat het boek het levenslicht zou zien tegen zijn vriend en biograaf Jean-Claude Brisville. Tegenover de revolutie van velen plaatst hij de opstand van de enkeling. Die laatste vernedert niemand. ‘De vrijheid die hij opeist, eist hij voor iedereen; de vrijheid die hij afwijst [te weten de vrijheid om de grenzen van ander te overtreden, A.H.], verbiedt hij aan iedereen.’ De uiterste vrijheid, de vrijheid om te doden, valt niet te verenigen met de redenen van de opstand. Dat laatste is immers: zich te weer stellen tegen de staat van zijn bestaan. In beginsel is de opstand gericht tegen de eigen dood. Daarom zou de opstand zichzelf ontrouw (‘onlogisch’ schrijft Camus!) worden als zij tot het doden van een ander zou overgaan. In die pervertering zal de bezonnen opstandige niet meegaan. ‘De opstand is geen eis tot totale vrijheid. Integendeel, de opstand stelt de totale vrijheid aan de kaak.’ Dus geen Nietzscheaanse Übermensch bij Camus, geen Ivan Karamazov voor wie alles geoorloofd was.

Maar hoezo ‘opstand’? Wat is opstand? Camus begint zijn essay bij het begin en toont geen haast zijn zaak uiteen te zetten. In die uiteenzetting blijken wel de sporen van zijn tijd: het draagt het DNA van het existentialisme in zich. Camus mag dan niet een volbloed existentialist à la Jean Paul Sartre zijn geweest, maar van de existentialistische premisse dat existentie voorafgaat aan essentie (het zijn in deze wereld) en dat mensen zich eerst in hun daden zouden verwerkelijken, is dit essay niet gevrijwaard. Het ligt er gelukkig niet te dik bovenop, maar het ligt intussen wel ten grondslag aan het feit dat Camus op zoek moest gaan naar het trait-d’union waarmee het gat te dichten viel tussen het er-zijn, en het (er per definitie mee wringende) bewustzijn van het betreffende individu. Want een mens viel in existentialistische opvatting nooit met zichzelf samen, zoals een ding of eenvoudig dier. De existentialistische ‘oplossing’ bestond erin dat de mens moest ‘transcenderen’, dat wil zeggen zich optimaliseren, om zo te ontsnappen aan wat hij is, en daardoor te zijn wat hij wordt. Tja. Camus komt in ieder geval uit bij ‘opstand’. ‘De mens is het enige schepsel dat weigert te zijn wat het is.’ Hij ervaart zijn leven als absurdistisch, zo hij tenminste niet de laffe keuze maakt voor kunstmatige zingeving, te weten religie. (‘De mens’ is bij Camus atheïstisch.) Die absurde ervaring is eigenlijk een soort waterscheiding: het kan de mens nihilistisch maken en dus onverschillig voor het lot van zichzelf en anderen, of het kan de mens louterend in zijn opstand maken. ‘Ik schreeuw dat ik nergens in geloof en dat alles absurd is, maar ik kan niet twijfelen aan mijn schreeuw en moet minstens in mijn eigen protest geloven. De eerste en enige zekerheid die me zo wordt gegeven, binnen de ervaring van het absurde, is de opstand. (…). [De opstand] wil de situatie veranderen. Maar veranderen betekent handelen, en handelen zal morgen doden betekenen, terwijl hij niet weet of moord gerechtvaardigd is. De opstand leidt juist tot de handelingen die men hem vraagt te rechtvaardigen. Hij moet zijn beweegredenen dus wel aan zichzelf ontlenen. Hij moet bereid zijn zichzelf te onderzoeken om te leren hoe hij zich moet gedragen’. Het ‘ik denk, dus ik ben” wordt hier dus ingeruild voor ‘ik kom in opstand, dus ik ben.’ De mens in opstand zou op meest authentieke wijze vormgeven aan zijn als a priori als absurdistisch ervaren bestaan, veronderstelt Camus. Opstand is het in beginsel a-politieke vertrekpunt van de mens. Vanaf daar staan hem diverse ideologische verlokkingen te wachten om zijn opstandigheid te botvieren.

Camus behandelt achtereenvolgens de metafysische opstand (met veel aandacht voor de opstandige dichters en schrijvers, o.a. Nietzsche en het nihilisme), de historische opstand (Franse revolutie van 1789 en de nasleep ervan met de ‘godsmoordenaars’ en de ‘koningsmoordenaars’ en het ‘individuele terrorisme’). Keer op keer gaat het fout, en Camus laat zien waarom: de opstandige mens laat zich door een heilsleer meeslepen en overlaadt zijn opstand met een systematiek die over de grenzen van de ander heenwalst uit naam van de fel begeerde gerechtigheid. Camus’ opstand is die van de enkeling en staat geen veralgemenisering, systematisering of ideologisering toe. Hij trekt de parallel tussen godsdienst met zijn absolute verering van een god, en de (na de Franse revolutie daarvoor in de plaats gekomen) almacht van de onfeilbaar geachte Rede, die uit naam van de zogenaamde redelijkheid een even grote terreur ‘rechtvaardigde’. En passant laat hij ook zien hoe het Surrealisme belandde in dezelfde valkuil van systematisering en dus verstarring en corrumpering van de oorspronkelijk als puur individueel beleefde ontregeling van het bestaan.

Camus leert het belang van mens te blijven en geen god te willen worden. Camus behoort daarmee het humanisme toe. Wat niet impliceert dat hij een softie is! Want er is een uitzonderingsmoment in de westerse geschiedenis van de revolutie. En daarin doet Camus’ oogappel zijn intrede: de Russische terrorist Kaljajev. Deze beleeft omstreeks 1905 zijn finest hour en hij (en zijn clubje gelijkgezinden) krijgt als enige gratie van Camus. Hij lijft ze in bij de voorbeeldige opstandigen. Nadat Kaljajev een moord had begaan, laat hij zich op waardige wijze berechten. Hij krijgt de galg. Voorafgaand aan de voltrekking van de doodstraf schreef Kaljajev in zijn cel: ‘vanaf het moment dat ik achter de tralies terecht ben gekomen, heb ik geen enkel moment het verlangen gevoeld om op wat voor manier dan ook in leven te blijven. (…) Ik beschouw mijn dood als een hoogste vorm van protest tegen een wereld van tranen en bloed.’ Camus is vol lof over deze man. Herhaaldelijk schuift hij hem naar voren en tegen het einde van het essay als hij tot een afronding komt, merkt Camus nog eens op: ‘Trouw aan zijn oorsprong laat de opstandige met het offer zien dat zijn werkelijke vrijheid niet in de moord, maar in zijn eigen dood ligt.’ Hij en zijn clubje worden door Camus dan ook zonder ironie de ‘fijngevoelige moordenaars’ genoemd. Hun fijngevoeligheid bestond erin op zeker moment een aanslag achterwege te laten toen het beoogde slachtoffer zich niet alléén, maar samen met zijn eega in het rijtuig bevond. ‘Een zo grote wegcijfering van zichzelf, gepaard aan een zo diepe zorg om het leven van anderen, mag ons doen veronderstellen dat die fijngevoelige moordenaars de opstandige lotsbestemming in haar uiterste tegenstrijdigheid hebben beleefd. (…) Via die waarden plaatsen die terroristen, op hetzelfde moment dat ze de menselijke wereld accepteren, zich boven die wereld, en laten ze voor de laatste keer in onze geschiedenis zien dat de ware opstand waarden schept.’ Hiermee laat Camus zien dat het wel degelijk mogelijk is aan de goede kant van de daad te blijven. Vuile handen van de moordenaar kunnen enkel schoongewassen worden in de zelfdoding. Deze vorm van opstand schept waarden omdat hij ‘getuigt van wat er in de mens altijd verdedigd moet worden.’ En dat punt wil Camus keer op keer maken tegenover de communisten die er geen been inzagen om hun vuile handen af te spoelen in het bloed van een ander. In De mens in opstand wordt niet echt over de zin van zelfmoord gedebatteerd. De opstandige mens mag afwijzend tegenover de werkelijkheid staan, maar onttrekt zich er niet aan. In dit essay wordt bij het tussenstation van de zelfmoord dus niet gestopt. Er valt een waarde te scheppen door de werkelijkheid niet te ontvluchten. En die waarde komt in de opstand ten volle tot haar recht.

Van De mens in opstand kan met recht gezegd worden dat het niet onopgemerkt is gebleven. Wat heet: het was, in de opbouwjaren na de Oorlog en hoogtijdagen van het Existentialisme, dynamiet in de Parijse kringen aan de linker oever van de Seine, met de zwarte coltrui en het abonnement voor het leven op Le Temps Modernes. Zaken als vrijheid, verantwoordelijkheid, authenticiteit, solidariteit deden er ten zeerste toe. Maar voor een afvallige bestond natuurlijk geen genade. Ach ja, dat was toen…En het geeft beslist te denken dat deze begrippen tegenwoordig op een onverschillig schouderophalen worden getrakteerd. Camus’ pleidooi voor matigheid en bezonnenheid zal het in onze tijd beter doen. Niet in het minst omdat ze weinig actie en bedrijvigheid vergen.

Maar heeft De mens in opstand ons nu nog iets te zeggen? Voor revolutie en existentialisme lopen de mensen immers niet meer warm, hoewel het aantal fundamentalistische extremisten er tegenwoordig ook niet om liegt. De wijze ‘levensles’ die erin te leren valt is deze: dood de ander niet. Maar mocht je toch de grens van moord ooit overschrijden, wees dan zo genereus om daarna zelfmoord te plegen. Misschien iets voor de toekomstige Volkert van der G’s en Mohammed B’s? Zelf vind ik Camus’ ferme verwerping van iedere leer of systematiek die de mens zijn individualiteit misgunt zeer houdbaar.

Maar los daarvan is de ontmaskering van het revolutionaire doen en laten nog altijd aardig om te lezen. Al is het dus gebouwd op de ietwat naïeve aanname dat van de opstandige mens die in zijn opstand trouw blijft aan het existentiële motief ervan, in het uur U zoveel meer heil te verwachten zou zijn. Hoe verdrijf je met zo’n clubje fijngevoeligen ooit een numerieke meerderheid van kwaadwillenden? Het essay mag gelden als een handboek voor de ontwikkeling van het westerse revolutionaire denken. Marx’ denken krijgt vanzelfsprekend veel aandacht en ook wordt duidelijk hoe explosief het Duitse Idealisme van Hegel in nihilistische handen kon worden. Het essay rijgt intussen ook veel citaten aaneen en laat zo diverse schrijvers aan het woord, zo lezen we bijvoorbeeld dat Stendhal een eerste verschil tussen Duitsers en andere volkeren zag in het feit dat Duitsers zich opwinden als ze nadenken, in plaats van rustig te worden. Camus laat zelf ook doorschemeren vermoeid te raken door het Duitse Idealisme, dat zich zo onverschillig betoont jegens het leven. Liever is hem de Mediterane bezonkenheid, de matigheid, het kiezen voor het leven in het hier en nu. Camus beschouwde zichzelf gelukkig niet filosoof genoeg om er het bijbehorende schurftige proza bij te leveren. Zijn stijl is soepel, al is de inhoud ervan een gradatie abstracter dan De mythe van Sisyphus. Vlijmscherp schrijft Camus over het definitieve moment van de dood, waarin ‘alles wordt voltooid. Om één keer op de wereld te zijn, is het noodzakelijk nooit meer te zijn.’ Je merkt dat hij sterk aan het leven hing. Enige retoriek is hem echter niet vreemd. Maar die treedt pas tegen het einde aan het licht. In het zicht van de overwinning gaat de tekst wat galmen: ‘Onze broeders ademen onder dezelfde hemel als wij, de gerechtigheid leeft.(…) Op de smartelijke aarde is zij het voortwoekerende onkruid, het bittere voedsel, de sterke zeewind, de oude en de nieuwe dageraad.’
Voor wie het denken van de mens Camus wil begrijpen, biedt dit boek een leerzaam inkijkje. En wie de onberedeneerbare handelingen van de personages in de romans van Camus liever zijn, herleze weer zijn scheppend proza. In 2013 zijn wij honderd jaar voorbij het geboortejaar van de schrijver. Misschien kan dat gevierd worden met een ruim gekozen bloemlezing uit zijn dagboeken?

De mens in opstand

Auteur: Albert Camus
Vertaald door: Martine Woudt
Verschenen bij: Uitgeverij Olympus
Prijs: € 15,-

Reageer

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Nieuwe Chinese plantenkunde – J.B. Matto
25 mei 2012
Veel vragen, weinig antwoorden

Recensie door Rein Swart

Dit boek gaat niet over een onderdeel van de biologie, maar is een roman en wel een heel  bijzondere, omdat weinig van de bedoeling wordt prijsgegeven.
Lees verder >
de hemelse kamer – Huub Beurskens
23 mei 2012
Net iets te en daarom wat minder

Recensie door Machiel Jansen

Het is druk in de hemelse kamer de nieuwe roman van Huub Beurskens, dichter, schrijver en voormalig redacteur van De Gids. Niet omdat er veel romanfiguren in voorkomen, dat is niet het geval, maar omdat er zo heel veel wordt verwezen, geciteerd, uitgeweid en opgesomd.
Lees verder >
Mangalaan 27 – Kristine Groenhart
22 mei 2012
Een dramatisch leven in Nederlands-Indië

Recensie door Wil van Basten-Malipaard

‘Wat waren ze vol goede moed geweest'
Kristine Groenhart  beschrijft op verzoek van schrijfster Mischa de Vreede de levensgeschiedenis van haar vader Ernst de Vreede die in 1925 met zijn kersverse bruid Henny Bomers aankomt op Ambon.
Lees verder >
Kristalman – Atte Jongstra
15 mei 2012
Multatuli in een ander daglicht

Recensie door Jaap M. Jansen

Ach, we houden zoveel van lijstjes, van hiërarchieën. Héérlijk vinden we het, die Top 2000, die filmlijst van de IMDb, die peilingen van Maurice de Hond. Genieten.
Lees verder >
De dienares – Tim Parks
14 mei 2012
Een rockchick verloren in de edele Stilte 

Recensie door: Joost van der Vleuten

Een roman schrijven over een jonge vrouw met een leven vol sex, drugs en rock &roll, die zich terugtrekt in een Boeddhistisch klooster. Kan dat? Wordt dat geen blijmoedige kitsch of goedkope tirade tegen het westerse materialisme? Niet noodzakelijk.
Lees verder >
Een nieuwe generatie Literaire Magazines
25 mei 2012
Een nieuwe generatie literaire tijdschriften is opgestaan. Een generatie die mee gaat met de tijd en van hun tijdschriften méér maakt dan een blad alleen. Met namen als Strak, Das Magazin, Kutgitaar en de Optimist wordt de toon gezet voor een nieuwe en verrassende traditie.
Lees verder >
Writers Unlimited The Series: Zuid-Afrika en Nederland – 7 juni in Den Haag
25 mei 2012
Christine Otten praat op 6 juni met Ronelda Kamfer en Adriaan van Dis. Ronelda S. Kamfer (Kaapstad, 1981) is een van de jonge Zuid-Afrikaanse dichters van dit moment en stond in haast iedere krant met het verhaal over haar poëzie.
Lees verder >
Tommy Wieringa en A.L. Snijders over reizen en thuisblijven
24 mei 2012
Twee begeesterde en eigenzinnige schrijvers in gesprek tijdens De geest moet waaien op vrijdag 1 juni in het Arnhemse Theater aan de Rijn.

Tommy Wieringa schreef de toonaangevende romans Joe Speedboot en Caesarion. Hij komt uit Twente maar woonde in zijn jeugd op de Antillen en is leeft nu in Noord-Holland.
Lees verder >
Literaire nalatenschap F. Harmsen van der Beek naar Letterkundig Museum
24 mei 2012
Nieuws van de redactie

Het Letterkundig Museum heeft sinds woensdag 23 mei de literaire nalatenschap van Fritzi ten Harmsen van der Beek (1927-2009) verworven. Harmsen van Beek is dichter van een klein oeuvre. De geringe omvang van haar werk is echter omgekeerd evenredig aan de grote bewondering die het vrijwel unaniem ten deel viel en valt.

Harmsen van der Beek vond dat vrijwel niets blijvende waarde had, ook haar gedichten en tekeningen niet. Ze tekende graag op bevroren ruiten en schiep er genoegen in te zien hoe die vervolgens door de warmte van de zon als kleine waterstraaltjeshun weg naar de vensterbank vonden. Desondanks laat ze een omvangrijk archief na. Behalve aantekeningen, manuscripten en (jeugd)foto’s bestaat de nalatenschap ook uit brieven, van onder meer Judith Herzberg, CharlotteMutsaers, Cees Nooteboom, Gerard Reve en Renate Rubinstein. Bijzonder zijn de vele tekeningen die Harmsen van der Beek maakte en de vele parafernalia waarmee zij zich omringde. Tot het archief behoren ook veel familiaire paparassen en boeken met opdrachten van schrijvers en kunstenaars waar onder A. Roland Holst, Matthijs Röling en M. Vasalis.

Tijdens de feestelijke overdracht van het archief werd ook de bundel In goed en kwaad. Verzameld werk van F.Harmsen van der Beek gepresenteerd.
'In samenspraak met de erven zijn nu haar publicaties bijeengebracht in een mooi verzorgde gebonden editie, waarin ook alle verspreid gepubliceerde gedichten en verhalen zijn opgenomen. De verschijning van In goed en kwaad is daarmee een literaire gebeurtenis, die er voor zorgt dat dit grootse en bruisende werk voor lange tijd beschikbaarblijft’, aldus uitgeverij De Bezige Bij.

www.letterkundigmuseum.nl

 
IJsseloever – een poëtische app
22 mei 2012
Dichter Wim Brands en grafisch ontwerper Max Kisman maakten voor 'Poëzie op het mobiele scherm' van het Nederlands Letterenfonds en de Mondriaan Stichting de iPad app IJsseloever. In het verhaal zijn vijftien videogedichten en een audio clip verwerkt.

Omschrijving van de inhoud:
Twee bejaarde vrouwen wonen al tientallen jaren aan de rand van een Gelders dorp. De vriendinnen worden ze genoemd. Ze komen niet vaak in het dorp, ze hebben eigenlijk alleen contact met een twintigjarige jongen. Een keer peer week haalt hij de vriendinnen op, ze rijden dan naar de rivier, een kilometer of twintig stroomopwaarts. Ze kijken naar de schepen, lezen de opschriften en varen in gedachten mee naar Duitsland, naar Frankrijk. Zestien momenten uit hun levens zijn verborgen in de IJsselvallei ten westen van Zutphen, die zijn te vinden op de kaart en te lezen door de locaties aan te raken of door te bladeren.

Wim Brands en grafisch ontwerper Max Kisman brachten beiden hun jeugd door in de IJssel-, respectievelijk Oude IJsselvallei in de provincie Gelderland. Zij onderzochten de mogelijkheid van het draagbare beeldscherm als literair podium in het kader van het project ‘Poëzie op het mobiele scherm’ van het Nederlands Letterenfonds en het Mondriaan Fonds.

Er verschijnt ook een gedrukte kaart van de IJsselvallei waarop de video’s te bekijken zijn wanneer met de Junaio augmented reality browser de smartphone op de markers richt €2,- (excl. verzenden).
De app wordt uitgegeven door TYP/Three Publishers en is verkrijgbaar in de App Store voor €1,59.
Voor de eerste 100 downloaders/kopers va de IJssel is er een extraatje. Ze ontvangen een speciale landkaart voor een bijzondere belevenis! Mail je AppStore-afrekening van IJsseloever en adresgegevens aan: ijsseloever@ttypp.nl en je krijgt de kaart! Je kunt de de IJsseloever-app kopen in de AppleStore, meer info vind je hier.

Zes verschillende teams van dichters en ontwerpers namen deel aan 'Poëzie op het mobiele scherm'. Hun eindresultaten werden 17 mei j.l.  gepresenteerd in het Trouw gebouw te Amsterdam.