Door: Rein Swart
‘Waar is de tijd dat beton nog ongewapend was?’
Nadat in de prelude een jongetje het levenslicht heeft gezien, volgen column-achtige stukjes, waarin een vader over zijn kinderen schrijft in een dichterlijke taal. Het is vaak onduidelijk welke kant de stukjes opgaan. De schrijver verknoopt verschillende lijntjes, zoals een krantenfoto van een stervende vrouw met een wandeling naar school. Langzaamaan kom je te weten dat het in de verhaaltjes om een jongentje én een meisje draait, een zus en een jonger broertje, die verder niet met toenaam worden genoemd, net zoals de vader en de moeder, die daarom allen als een soort tijdloze archetypen fungeren.
Het meisje is niet op haar mondje gevallen en het jongetje lief en gewillig. De al wat oudere vader heeft misschien juist vanwege zijn leeftijd oog voor het mysterie van het opgroeien, van het raadselachtige verpoppen van kleuter tot middelbare-school kind.
De kinderen vervullen rollen, die bij hun sekse horen. Bij de jongen gaat het vaak om prestaties, bij het meisje om een vrouw in wording, die de trukendoos van de verleiding al aardig beheerst. In de wereld van het meisje draait het vaak om rollenspelen, waarin de vader dient te figureren. ‘Jij was…’ zegt het meisje en propt zelf kranten onder een jurk die borsten moeten verbeelden.
Het is vooral een zinnelijke wereld die de schrijver schetst. De vader geniet er van op het schoolplein naar andere moeders kijken, die het raadsel van de vrouw en moeder ineen vertolken, maar ook naar zijn eigen vrouw als ze opeens ’s ochtends in een slipje in de keuken verschijnt waar hij brood smeert voor de kinderen.
Zeer herkenbaar is de ongebreidelde creativiteit van de kinderen, die bijvoorbeeld tenten maken in de huiskamer. De vader staat daar open voor. Hij huppelt mee naar school om weer dat kinderlijke gevoel terug te halen. Maar hij ervaart toch vooral weemoed over het verstrijken van de tijd en de snelle afwisseling van generaties, die alle hun eigen beleving hebben en die elkaar niet zo gemakkelijk kunnen vinden, zo geeft hij aan in de laatste regel:
‘We delen een heden, zoals New York en Brussel: in andere tijdzones, maar in dezelfde tijd.’
De tijd knaagt aan al het bestaande, het leven glijdt als zand door de vingers. Dewulf gaat daarbij soms over het randje van het sentimentele als hij, zoals van een dichter verwacht mag worden, het ongrijpbare probeert te vangen.
Dat Kleine dagen bijna tweehonderd bladzijden interessant blijft, is vooral te danken aan het originele taalgebruik, de verrassende inhoud en de zinnelijkheid die uit dit proza opstijgt, al dient het, zoals vaak bij columns, in kleine hapjes tot zich genomen te worden.
Kleine dagen
Auteur: Bernard Dewulf
Verschenen bij: Uitgeverij Atlas
Prijs: € 18,90
Eerder verscheen op Literair Nederland een recensie over Kleine dagen door Anita Meuleman.
Nieuwsbrief
Facebook
Twitter
RSS


Pingback: Kleine dagen – Bernard Dewulf | Literair Nederland
Ha Rein. Positief zeg, evenals die andere recensie op deze site die het zelfs heeft over ‘juweeltjes’ en ‘pareltjes’, maar toch overtuigen ze mij niet: http://www.tzum.info/2010/05/recensie-bernard-dewulf-kleine-dage/
hoeft ook niet, coen, voor ieder wat wils; ik kan me je weerzin wel indenken;
Pingback: Libris Literatuur Prijs 2010 voor Bernard Dewulf | Literair Nederland