Terwijl het april-nummer van Hollands Maandblad alweer in de schappen ligt, bespreek ik nog even het maart-nummer van Hollands Maandblad en het april-nummer van Tirade. Ik moet daarbij aantekenen dat ik geen regelmatig lezer van literaire tijdschriften ben. Ik richt me vooral op literatuur in boekvorm, maar ik geef toe dat een tijdschrift het spectrum behoorlijk verbreedt. Wat een namen toch in deze bespreking!
Hollands Maandblad komt gedegen over. Elke maand komt er een nieuw nummer uit met vaste medewerkers, van wie er net twee, Peereboom en Kousbroek, overleden zijn. Leo Vroman is met zijn 95 jaren ruimschoots de langst levende medewerker is. Hollands maandblad brengt een mix aan poëzie en proza en is verluchtigd door tekeningen, deze maand van Malgosia Briefjes.
Dit derde nummer van 2010 wordt ingeleid door hoofdredacteur Bastiaan Bommeljé, die in een tijd waarin het fatsoen weer in opkomst is de culturele elite wil aanzetten om de vuile oorlog tegen hun eigen privileges te voeren om Wilders de wind uit de zeilen te nemen.
Vervolgens komt Arnon Grunberg met een droogkomisch dankwoord bij de toekenning van de Constantijn Huygensprijs. Het proza komt van David Pefko die graag Vlaming zou zijn en daartoe geholpen denkt te worden door een schoonmaker in Brussel, Peereboom schrijft weer flauwe huwelijksdialogen, er is een verhaal van Max Niematz die graag een KRO-lepeltje wil hebben voor zijn museum, VVD-er Florus Wijsenbeek én nazaat van Jan van Riebeeck schrijft over zijn indruk van Zuid-Afrika en er is het derde deel van de memoires van Jan Pen, die wetenswaardigheden opdist over oprichter K. L. – Bert voor intimi – Poll.
De gedichten zijn van de hand van Vroman, Piet Gerbrandy, Vicky Francken (die een prijs van Meander en HM won), Bas van Putten, L. Th. Lehmann en Paul van Hoven, die het prozagedicht ‘In memoriam patris’ leverde.
Tirade 433 heeft een themanummer over korte verhalen. Middenin het tijdschrift staat de vermakelijke toespraak die de Belgische Annelies Verbeke hield tijdens de opening van Hotel van Hassel, op 16-18 april j.l. in de Balie. Het geeft afwezigen mooi de gelegenheid daarover iets terug te horen.
Verbeke weet dat ze voor een fanclub spreekt en meent dat het korte verhaal vooral vreugde genereert bij de schrijver vanwege de korte tijdsduur waarin het verhaal wordt geschreven en vanwege de thematische band die in een verhalenbundel minder benauwend hoeft te zijn dan bij een roman. De outsider neemt in veel korte verhalen een belangrijke plaats in. Zij noemt een aantal, vooral buitenlandse, schrijvers die na een essay van Manon Uphoff over de Japanse schrijver Akutagawa (1892-1927) zelf een bijdrage leveren, zoals Petina Gappah die in een township in Zimbabwe leefde en de overgang naar de zwarte regering meemaakte, Eliasson, die bevlogen schrijft over een dominee en een schoolmeester die beiden in hetzelfde huis in IJsland een boek van Steinbeck vertaalden, Andrea Pisca uit Kroatië die door haar Engelse vriendje nogal hardhandig wordt onderwezen over taal en de kleur van de zee, Aaron Blumm die droomachtig schrijft over een bankoverval en het tijd daarna en tenslotte de Hilversumse Hooijer die een mooi portret schetst van tekenlerares Antoinette, die zich in een inrichting akeliger voelt dan de patiënten. Na het lezen van al deze bijdragen zou ik Annelies willen toevoegen dat korte verhalen behalve verrassing bieden toch ook veel concentratie vergen.
Tirade begint met een special over loglines (samenvattingen in één zin) waarmee men korte film en kort verhaal aan elkaar wil koppelen. Een kruisbestuiving noemt Dirk van Straten het in zijn inleiding. In het tijdschrift is zelfs een dvd gestoken met daarop de betreffende zeven korte films, waarvan de loglines zijn afgedrukt. Van Straten geeft zelf al aan dat het belang ervan is overschat. Sommige schrijvers houden zich niet aan de opdracht, zoals Vincent Overeem (de foto bij de film duidt op een andere situatie), Bianca Boer (hoewel die een fantastisch verhaal schrijft over een schaapsherder die met haar kudde rondloopt in een gebied waar de zwaartekracht verstoord kan raken en het gevaar dreigt om op te stijgen) en Lodewijk van Oord (twee lijken in plaats van één). Het realistische verhaal van Jan van Mersbergen loopt mooi rond, Elke Geurts houdt zich keurig aan de opdracht maar voegt weinig toe, Maartje Wortel brengt een leuk idee in, maar vergeet een mime-speler op te laten draven en Walter van de Berg kwam er volgens mij niet helemaal uit.
De beste bijdrage in deze Tirade vond ik de laatste. Sander Kollaard zet in een hardgras- achtig verhaal vraagtekens bij het beslissende doelpunt van Van Basten tijdens de EK van 1988. Beter gezegd bij de haperende reactie van de Russische doelman Dassajev. Er is iets niet pluis. Het spannende onderzoek naar diens falen deed me denken aan de zwaartekrachtstoring in het verhaal van Bianca Boer. Lest best, zou ik zeggen.
Nieuwsbrief
Facebook
Twitter
RSS

