De tweede ruimte, over poëzie – Bernlef

13 april 2010

Recensie door: Albert Hogeweij

Deze essaybundel laat zich op meerdere wijzen in tweeën delen. Er staan stukken in over het wezen van poëzie en de ontdekking daarvan door het kind Bernlef, en daarnaast staan er stukken in over vertalingen van buitenlandse poëzie. Maar je kunt ook de tweedeling maken tussen de kortere essaytjes, die tweederde van het boek bestrijken en de wat dieper gravende stukken die grotendeels het laatste stuk van de bundel volmaken. En evengoed kun je het onderscheid maken tussen eerder gepubliceerde stukken (vooral in het inmiddels ter ziele gegane tijdschrift Raster) en werk dat in deze publikatie voor het eerst het levenslicht ziet. Maar geen van deze tweedelingen deelt de bundel in twee gelijke delen.

Het eerste essay heet meteen ook De Tweede Ruimte en de verwachting van de lezer dat hij hier de verklaring van de titel zal vernemen wordt al gauw bewaarheid. Het begint met een anekdote waarin de jonge Bernlef door zijn vader wordt gefopt. Deze had gezegd dat de plaatselijke bakkerij in lichterlaaie stond. Dat was aanleiding genoeg voor de jongen zich er onmiddellijk heen te spoeden, om, eenmaal aangekomen, teleurgesteld te constateren dat er helemaal geen sprake van brand was. Vreemd, des te meer omdat zijn vader doorgaans goed geïnformeerd was. Thuisgekomen wordt hem dan door zijn eigen vader meegedeeld dat het, ha-ha, een 1-aprilgrap was! De zes, zevenjarige Bernlef kan er niet echt om lachen, maar dankzij deze grap doet hij wel de belangrijke ontdekking dat mensen met taal blijkbaar ook andere werkelijkheden kunnen oproepen dan de alledaagse. En dat de relatie tussen mededelingen en de werkelijkheid, tussen woorden en de verschijnselen er eentje was die enkel op een afspraak berustte, maar dat niemand je kon verbieden van die vanzelfsprekendheid af te wijken en je een eigen wereld te scheppen. Dat bood een scala aan mogelijkheden voor de fantasie! En deze speelruimte tussen werkelijkheid en taalgebruik zou hij voortaan de ‘tweede ruimte’ noemen.

Als hij later op school kennis maakt met de poëzie zal hij ontdekken dat de woorden in het gedicht, door middelen als rijm en metrum, een eigen werkelijkheid konden opeisen. De taal was een zelfstandige werkelijkheid op zich. Als een soort parallel universum. In een goed gedicht was alles mogelijk. ‘Die tweede ruimte was de geboortegrond van de poëzie en daar wilde ik wonen’. Het is Bernlef uiteindelijk gelukt zich er metterwoon te vestigen. En behalve dat hij zelf gedichten ging schrijven, legde hij zich ook toe op het vertalen van buitenlandse gedichten. En zeker in dat laatste heeft hij een alom gewaardeerde status bereikt. Zelf beschouwt hij zijn vertalingen ook als verlengstuk van zijn eigen poëzie. Van zo iemand mag men dan ook iets persoonlijks verwachten wanneer hij over poëzievertalingen komt te spreken. Maar dat persoonlijke aspect breekt pas door tegen het einde van de bundel, waar de essays gemiddeld ook wat langer zijn dan de oorspronkelijk als kronieken in Raster gepubliceerde mini essaytjes over poëzievertalingen; een fenomeen waarvoor Bernlef graag een lans wil breken omdat ze meestal niet de aandacht krijgen die ze verdienen.

Deze kronieken ontstijgen niet altijd het niveau van het gelegenheidsstukje over recent verschenen poëzievertalingen. Er wordt ruimhartig geciteerd uit de vertalingen – waardoor je als lezer wel juweeltjes als ‘Hoe moeilijk is het jezelf te zijn en slechts het zichtbare te zien’ van Pessoa meekrijgt – en behalve dat Bernlef in het kort een en ander over de dichter in kwestie meedeelt, blijkt hij ook niet te beroerd zijn mening te geven over de vertaalprestaties van zijn vakbroeders, zoals daar o.a. zijn Guus Luijters, Eva Gerlach, Paul Claes, Lloyd Haft en Peter Verstegen. Een enkele keer haalt hij er een vertaling van zichzelf bij om zijn visie te adstrueren. Zoals in het geval van het gedicht The Imaginary Iceberg van Elizabeth Bishop. Een dichteres die Bernlef al decennia lang vermag bezig te houden en waarbij het hem dan ook enigszins ontstemt als blijkt dat ook een andere vertaler, Guus Luijters, zich met haar heeft ingelaten. Hun beider vertalingen van dit gedicht worden aan een close-reading onderworpen, waarbij de slotsom dat zijn eigen vertaling het op beslissende punten wint van die van zijn tegenstander bepaald niet als een verrassing komt. Maar een betweterige toon ontbreekt ten enenmale, want Bernlef heeft met het aan het licht brengen van de verschillen in de vertalingen slechts een wezenlijk aspect van Bishops poëzie willen blootleggen, namelijk: dat zij met de precieze, uitgekiende keuze van haar glasheldere woorden de sublieme momenten die de werkelijkheid soms prijsgeeft, heeft willen evoceren in haar gedichten, waaraan ze overigens zelf jarenlang kon werken. Intussen is de boodschap bij de lezer wel doorgekomen: die Elizabeth Bishop is niet een dichteres die je zomaar even tussendoor neemt. Maar Bernlef gunt zeker ook ere aan wie ere toekomt en wanneer hij over Peter Verstegen schrijft dat die een virtuoos is wanneer het op rijmen aankomt, hoeft niemand te vrezen dat hier iemand het graf in wordt geprezen. Want daar is Bernlef gewoonweg de man niet naar. Hij is eerlijk en oprecht en er niet op uit om rekeningen te vereffenen.

Wie het over vertalingen heeft ontkomt er natuurlijk niet aan zijn houding te bepalen tot Robert Frosts beroemde uitspraak dat het wezen van poëzie datgene betreft, ‘wat bij vertaling verloren gaat’. Maar Bernlef is wat dat aangaat minder pessimistisch: ‘Tegenover het verlies staat vaak ook de winst van vertaalvondsten. Het is de kunst om poëzie uit andere talen zo om te vormen dat er een goed Nederlands gedicht tevoorschijn komt’. Hij neigt ernaar vertalingen te zien als ‘reproducties van een origineel’, zoals Tomas Tranströmer meent. Onvermijdelijk is dan ook dat de tweede ruimte van het vertaalde gedicht er anders uitziet dan die van het origineel. Maar van die afwijking is de vertaler zich bewust. Een vertaling is dan ook nooit helemaal ‘af’ beweert Bernlef. De onlangs overleden Rudy Kousbroek, die overigens niet in de bundel ter sprake komt, had ook een mooie metafoor over deze materie: ‘Poëzie lezen in vertalingen is iets als liefkozen met handschoenen aan.’

Hoewel de bundel voornamelijk over poëzievertalingen gaat, is het geen poëtica van het vertalen geworden in de trant van Vestdijks De Glanzende Kiemcel. Bernlef laat ons niet over zijn schouder meekijken hoe een vertaald gedicht woord voor woord tot stand komt. Wel noemt Bernlef een motief om gedichten van een ander, inzonderheid die van Tomas Tranströmer, te vertalen: Bernlef had ze maar al te graag zélf geschreven! Zo vormden Tranströmers gedichten voor hem een schok der herkenning en daarmee een erkenning van zijn verlies. ‘Natuurlijk had ik deze gedichten zelf moeten schrijven! Maar Tranströmer had dat al gedaan. Het enige wat ik aan deze deplorabele toestand kon doen was zijn gedichten in het Nederlands te vertalen.’

Deze persoonlijke ontboezeming komt dan ook uit het laatste gedeelte van de bundel, waarin Bernlef over de dichters van zijn voorkeur van komt te spreken: de Zweden Gustafsson en Tranströmer en de Amerikaan Ashbery, nadat eerder al Bishop onder handen was genomen. Zo lezen we in een opstel over John Ashbery dat de eerste confrontatie met diens poëzie Bernlef zwaar bekomen was. Hij vergelijkt die ervaring met het voor de eerste keer blootgesteld worden aan de muziek van Karlheinz Stockhausen. Hij had er eigenlijk geen touw aan vast kunnen knopen, maar nieuwsgierigheid wint het bij Bernlef van koppigheid: ‘Ik moest ophouden met zoeken, dan zou ik het vanzelf vinden; niet wat ik zocht, maar wellicht wel iets anders.’ En blijkens het vervolg stelde dat ‘iets anders’ niet teleur. In het uitgebreide essay over Tranströmer toont Bernlef aan hoe hij tot de ontdekking kwam dat de haiku-methode de ‘kiemcel’ is voor al diens werk. Dit wordt hem pas duidelijk als hij erachter komt dat Tranströmer zich niet eerst met haiku’s is gaan bezighouden na zijn hersenbloeding in 1990, maar zich al ruim 30 jaar daarvoor van die versvorm had bediend. Veronderstelde Bernlef aanvankelijk dat de haiku vanwege zijn beperkte omvang nog zo’n beetje de enige versvorm was die de Zweed na 1990 nog zou kunnen behappen, door de ontdekking dat de haiku zich al blijkbaar veel eerder had aangediend, komt Bernlef ertoe het wezen van de haiku tegen het licht te houden, om de ontdekking te doen dat zowel in de haiku als in de Tranströmergedichten hetzelfde speelt: er vindt een confrontatie tussen twee werelden plaats waarbij, ‘als in een chemisch proces, uit twee bij elkaar gebrachte stoffen ten slotte een derde ontstaat: het onzichtbare maar wel degelijk aanwezige gedicht waarin de dichter zich manifesteert zonder zich een lyrisch ik aan te meten.’ Bernlef sluit dit essay af met vier recente, nog niet eerder in het Nederlands verschenen haiku’s van Tranströmer. Die bonus pik je als lezer dus ook mooi mee.

Lezing van deze bundel maakt eens temeer duidelijk dat Bernlef niet zozeer houdt van dichters die zich inklemmen tussen vaste rijmschema’s en strofen, maar des temeer van hen die in hun onderzoekende versregels op de tast gaan naar de contouren van een antwoord. Poëzie die raakvlakken heeft met de wetenschap. ‘Want dichter en onderzoeker worden tenslotte allebei gedreven door hetzelfde: nieuwsgierigheid.’ Poëzie waarin de plaatsbepaling van het ‘ik’ ter discussie mag staan: ‘Twee waarheden naderen elkaar. Eén komt van binnenuit, één van buitenaf / en waar zij elkaar ontmoeten bestaat een kans jezelf te zien.’ (uit: Prelude van Tomas Tranströmer) Of: ‘Je was niets dan / een vraag gericht tot een andere vraag / en geen van beide bezat andermans antwoord ‘ (uit: Elegie voor een dode labrador van Lars Gustafsson).
Behalve dat er heel wat mooie citaten uit de vertaalde gedichten worden rondgestrooid in dit boekje, ligt de waarde ervan voor mij vooral in de persoonlijke verhouding van de schrijver tot ‘zijn’ buitenlandse dichters en hun werk. Een man van veel woorden is Bernlef niet, maar des te meer geschikt om een rake typering te geven. Als hij het over de wereld van Lars Gustafsson heeft, schrijft hij bijvoorbeeld: ‘Niet de wereld is een illusie of een projectie, het zijn onze eigen hersens die bepalen wat wij wel en niet kunnen waarnemen. In het waargenomene schuilt de waarnemer. Als een weeffout.’

De bundel kent een geweldige afsluiting, namelijk een gedicht van de Pool Herbert met de prachtige slotregels:

‘Na twee oorlogen waren alle mooie woorden nog mooier
geworden. Meneer Cogito verzamelde ze allemaal, sloot ze op in
een kast en gooide daarna de sleutel uit het raam. ‘En nu aan het
werk’, mompelde hij. ‘

zodat wanneer je als lezer het boek uiteindelijk dichtslaat, het gevoel overheerst dat ons taalgebied de afgelopen jaren verrijkt is met een aantal prachtige poëzievertalingen. Als Bernlef dat de lezer aan zijn verstand heeft willen brengen, heeft hij zijn doel ruimschoots gehaald.

De tweede ruimte werd eerder voor Literair Nederland gerecenseerd door Rein Swart .

De tweede ruimte
Over poëzie

Auteur: Bernlef
Verschenen bij: Uitgeverij Querido (jan. 2010)
Prijs: € 18,95

Bekijk Reacties

One Response to De tweede ruimte, over poëzie – Bernlef

  1. Pingback: De tweede ruimte, Over poëzie – Bernlef | Literair Nederland

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Verplichte velden zijn gemarkeerd met *

*

De volgende HTML tags en attributen zijn toegestaan: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>

Nieuwe Chinese plantenkunde – J.B. Matto
25 mei 2012
Veel vragen, weinig antwoorden

Recensie door Rein Swart

Dit boek gaat niet over een onderdeel van de biologie, maar is een roman en wel een heel  bijzondere, omdat weinig van de bedoeling wordt prijsgegeven.
Lees verder >
de hemelse kamer – Huub Beurskens
23 mei 2012
Net iets te en daarom wat minder

Recensie door Machiel Jansen

Het is druk in de hemelse kamer de nieuwe roman van Huub Beurskens, dichter, schrijver en voormalig redacteur van De Gids. Niet omdat er veel romanfiguren in voorkomen, dat is niet het geval, maar omdat er zo heel veel wordt verwezen, geciteerd, uitgeweid en opgesomd.
Lees verder >
Mangalaan 27 – Kristine Groenhart
22 mei 2012
Een dramatisch leven in Nederlands-Indië

Recensie door Wil van Basten-Malipaard

‘Wat waren ze vol goede moed geweest'
Kristine Groenhart  beschrijft op verzoek van schrijfster Mischa de Vreede de levensgeschiedenis van haar vader Ernst de Vreede die in 1925 met zijn kersverse bruid Henny Bomers aankomt op Ambon.
Lees verder >
Kristalman – Atte Jongstra
15 mei 2012
Multatuli in een ander daglicht

Recensie door Jaap M. Jansen

Ach, we houden zoveel van lijstjes, van hiërarchieën. Héérlijk vinden we het, die Top 2000, die filmlijst van de IMDb, die peilingen van Maurice de Hond. Genieten.
Lees verder >
De dienares – Tim Parks
14 mei 2012
Een rockchick verloren in de edele Stilte 

Recensie door: Joost van der Vleuten

Een roman schrijven over een jonge vrouw met een leven vol sex, drugs en rock &roll, die zich terugtrekt in een Boeddhistisch klooster. Kan dat? Wordt dat geen blijmoedige kitsch of goedkope tirade tegen het westerse materialisme? Niet noodzakelijk.
Lees verder >
Een nieuwe generatie Literaire Magazines
25 mei 2012
Een nieuwe generatie literaire tijdschriften is opgestaan. Een generatie die mee gaat met de tijd en van hun tijdschriften méér maakt dan een blad alleen. Met namen als Strak, Das Magazin, Kutgitaar en de Optimist wordt de toon gezet voor een nieuwe en verrassende traditie.
Lees verder >
Writers Unlimited The Series: Zuid-Afrika en Nederland – 7 juni in Den Haag
25 mei 2012
Christine Otten praat op 6 juni met Ronelda Kamfer en Adriaan van Dis. Ronelda S. Kamfer (Kaapstad, 1981) is een van de jonge Zuid-Afrikaanse dichters van dit moment en stond in haast iedere krant met het verhaal over haar poëzie.
Lees verder >
Tommy Wieringa en A.L. Snijders over reizen en thuisblijven
24 mei 2012
Twee begeesterde en eigenzinnige schrijvers in gesprek tijdens De geest moet waaien op vrijdag 1 juni in het Arnhemse Theater aan de Rijn.

Tommy Wieringa schreef de toonaangevende romans Joe Speedboot en Caesarion. Hij komt uit Twente maar woonde in zijn jeugd op de Antillen en is leeft nu in Noord-Holland.
Lees verder >
Literaire nalatenschap F. Harmsen van der Beek naar Letterkundig Museum
24 mei 2012
Nieuws van de redactie

Het Letterkundig Museum heeft sinds woensdag 23 mei de literaire nalatenschap van Fritzi ten Harmsen van der Beek (1927-2009) verworven. Harmsen van Beek is dichter van een klein oeuvre. De geringe omvang van haar werk is echter omgekeerd evenredig aan de grote bewondering die het vrijwel unaniem ten deel viel en valt.

Harmsen van der Beek vond dat vrijwel niets blijvende waarde had, ook haar gedichten en tekeningen niet. Ze tekende graag op bevroren ruiten en schiep er genoegen in te zien hoe die vervolgens door de warmte van de zon als kleine waterstraaltjeshun weg naar de vensterbank vonden. Desondanks laat ze een omvangrijk archief na. Behalve aantekeningen, manuscripten en (jeugd)foto’s bestaat de nalatenschap ook uit brieven, van onder meer Judith Herzberg, CharlotteMutsaers, Cees Nooteboom, Gerard Reve en Renate Rubinstein. Bijzonder zijn de vele tekeningen die Harmsen van der Beek maakte en de vele parafernalia waarmee zij zich omringde. Tot het archief behoren ook veel familiaire paparassen en boeken met opdrachten van schrijvers en kunstenaars waar onder A. Roland Holst, Matthijs Röling en M. Vasalis.

Tijdens de feestelijke overdracht van het archief werd ook de bundel In goed en kwaad. Verzameld werk van F.Harmsen van der Beek gepresenteerd.
'In samenspraak met de erven zijn nu haar publicaties bijeengebracht in een mooi verzorgde gebonden editie, waarin ook alle verspreid gepubliceerde gedichten en verhalen zijn opgenomen. De verschijning van In goed en kwaad is daarmee een literaire gebeurtenis, die er voor zorgt dat dit grootse en bruisende werk voor lange tijd beschikbaarblijft’, aldus uitgeverij De Bezige Bij.

www.letterkundigmuseum.nl

 
IJsseloever – een poëtische app
22 mei 2012
Dichter Wim Brands en grafisch ontwerper Max Kisman maakten voor 'Poëzie op het mobiele scherm' van het Nederlands Letterenfonds en de Mondriaan Stichting de iPad app IJsseloever. In het verhaal zijn vijftien videogedichten en een audio clip verwerkt.

Omschrijving van de inhoud:
Twee bejaarde vrouwen wonen al tientallen jaren aan de rand van een Gelders dorp. De vriendinnen worden ze genoemd. Ze komen niet vaak in het dorp, ze hebben eigenlijk alleen contact met een twintigjarige jongen. Een keer peer week haalt hij de vriendinnen op, ze rijden dan naar de rivier, een kilometer of twintig stroomopwaarts. Ze kijken naar de schepen, lezen de opschriften en varen in gedachten mee naar Duitsland, naar Frankrijk. Zestien momenten uit hun levens zijn verborgen in de IJsselvallei ten westen van Zutphen, die zijn te vinden op de kaart en te lezen door de locaties aan te raken of door te bladeren.

Wim Brands en grafisch ontwerper Max Kisman brachten beiden hun jeugd door in de IJssel-, respectievelijk Oude IJsselvallei in de provincie Gelderland. Zij onderzochten de mogelijkheid van het draagbare beeldscherm als literair podium in het kader van het project ‘Poëzie op het mobiele scherm’ van het Nederlands Letterenfonds en het Mondriaan Fonds.

Er verschijnt ook een gedrukte kaart van de IJsselvallei waarop de video’s te bekijken zijn wanneer met de Junaio augmented reality browser de smartphone op de markers richt €2,- (excl. verzenden).
De app wordt uitgegeven door TYP/Three Publishers en is verkrijgbaar in de App Store voor €1,59.
Voor de eerste 100 downloaders/kopers va de IJssel is er een extraatje. Ze ontvangen een speciale landkaart voor een bijzondere belevenis! Mail je AppStore-afrekening van IJsseloever en adresgegevens aan: ijsseloever@ttypp.nl en je krijgt de kaart! Je kunt de de IJsseloever-app kopen in de AppleStore, meer info vind je hier.

Zes verschillende teams van dichters en ontwerpers namen deel aan 'Poëzie op het mobiele scherm'. Hun eindresultaten werden 17 mei j.l.  gepresenteerd in het Trouw gebouw te Amsterdam.