6 maart 2006

Is straatrumoer een scheldwoord?

In NRC Handelsblad stond onlangs de verkorte Kellendonk-lezing van Joost Zwagerman afgedrukt. In die lezing Tegen de literaire quarantaine vraagt Zwagerman zich af hoe het toch komt dat Nederlandse schrijvers zo weinig reageren op de actualiteit. Na de moord op Fortuyn en Van Gogh zou je toch verwachten dat er een neerslag van die gebeurtenissen te vinden zou zijn in de vaderlandse letteren.

De reacties in de NRC waren enigszins voorspelbaar. Misdaadauteur Jacob Vis betoogde dat je het straatrumoer vooral in het misdaadgenre kon vinden en afgelopen vrijdag reageerden de schrijvers Jan van Loy en Gijs IJlander en criticus Arnold Heumakers op een manier die elke discussie bij voorbaat smoorde. Natuurlijk ontkomt Zwagerman er niet aan om generaliserende opmerkingen te maken over de literatuur en de kritiek en daardoor kan men ook makkelijk zijn betoog onderuit halen met tegenvoorbeelden en enigszins smalende opmerkingen. Dat is jammer, want de lezing van Zwagerman, volledig na te lezen op zijn website, is interessant genoeg om over door te denken en signaleert een tendens (of juist het ontbreken daarvan).

Een van de onderdelen van de lezing is de houding van critici ten opzichte van romans waarin een actueel thema wordt besproken. Zwagerman haalt onder meer de kritieken op Mystiek lichaam, Casino en De buitenvrouw aan. Hoe verschillend de boeken en de kritiek daarop ook waren, ze kenden toch een overeenkomst: de verkokerde blik waarmee de criticus keek naar het boek en opvattingen in het boek gelijkstelde aan de opvattingen van de auteur. Die verkokerde blik zorgde ervoor dat de romans een eenzijdige en vaak nogal onjuiste bespreking kreeg, met als resultaat dat de recensies die volgden meer over de initiële bespreking gingen, dan over het boek zelf.

Dat is natuurlijk niet prettig voor een auteur. Misschien legt hij zichzelf daardoor een soort zelfcensuur op: schrijf nooit over actuele onderwerpen. Ik denk dat Zwagerman gedeeltelijk gelijk heeft, maar ik vermoed dat het nog dieper zit. Het universitair onderwijs (en in het kielzog daarvan alle afgestudeerde leraren op alle onderwijsinstellingen) heeft denk ik gezorgd voor een nauwe, academische blik op de literatuur, en de weerslag daarvan is ook te vinden in de kritiek. Dat is natuurlijk een nog grotere generalisatie en daardoor nog aanvechtbaarder en onbewijsbaarder, maar ik vermoed toch dat daar de kern ligt van het probleem. Niet alleen proza waarin een actueel probleem naar voren komt, ook autobiografisch proza en proza waarin het oude ambachtelijke verhaal een rol speelt (zie de venijnige recensies jaar na jaar op het oeuvre van Rascha Peper) krijgen minder aandacht dan ze verdienen.

Misschien verandert er wat met de komst van nieuwe hoogleraren, nieuwe critici en nieuwe media. Tot die tijd is het goed om Zwagermans essay te lezen en te beginnen met schrijven aan een boek waaruit blijkt dat er in Nederland meer gebeurt dan klompendansen en knielen op bedden van violen.
Coen Peppelenbos

Recent

21 november 2017

Reizen in een binnenwereld

20 november 2017

Het leven ontwijken

15 november 2017

Een portret in stukjes

Literair Nederland - 10 jaar geleden

26 november 2007

Geloven in een god die niet bestaat
Door Bernadet

Op de titel De Kunst van het Nietsdoen (2004) van Theo Fischer reageerden veel mensen met: ‘Oh, dat zou ik ook wel willen, een tijdje niets doen.’ Daar ging het boek echter niet over. Het ging over Taoïsme; het niet steeds willen ingrijpen in de gebeurtenissen van je leven en de dingen naar je hand te willen zetten of bezweren.

Lees meer